2 Kronieken 29:12-19
Wij hebben hier druk werk, goed werk en noodzakelijk werk: de reiniging van het huis des Heeren.
1. De personen, die voor dit werk gebruikt werden, waren de priesters en Levieten, die het rein hadden behoren te houden, maar dit niet gedaan hebben, was het hun plicht om het rein te maken. Verscheidenen van de Levieten worden hier genoemd, twee van ieder van de drie voornaamste huizen, Kehath, Gerson en Merari, vers 12.
En twee van ieder van de drie geslachten van zangers, Asaf, Heman en Jeduthun, vers 13.
Wij kunnen niet denken dat deze bloot genoemd zijn omdat zij de voornaamsten waren in hun plaats, want dan voorzeker zouden de hogepriester en sommigen van de hoofden van de afdelingen van de priesters genoemd zijn, maar omdat zij ijveriger en actiever waren dan de anderen.
Als God werk te doen heeft, dan zal Hij mannen verwekken, geschikt om er de leiding van op zich te nemen. En de eersten in plaats en rang zijn niet altijd de geschiktsten voor de dienst of die er het ijverigst in zijn. Deze Levieten hebben niet slechts zichzelf ingespannen voor het werk, maar hun broederen verzameld en hen aangespoord om te doen naar het gebod des konings door de woorden des Heeren.
Merk op: Zij deden naar het gebod des konings, maar met het oog op Gods woord, de koning gebood hun wat reeds hun plicht was door het gebod Gods, en het doende, beschouwden zij Gods woord als hun regel en des konings gebod als een aansporing voor hen.
2. Het werk bestond in Gods huis te reinigen.
a. Van het gewone vuil, dat er in gekomen was toen het gesloten was, stof en spinnewebben en het roest van de vaten.
b. Van de afgoden en afgodische altaren, die er in waren opgericht, die, al waren zij ook nog zo rein en netjes gehouden, er een grotere bezoedeling voor waren, dan wanneer men er het algemene stadsriool van had gemaakt.
Van de priesters worden er geen genoemd als leiders bij dit werk, maar niemand anders dan zij durfden toch binnen in het huis des Heeren gaan, neen, niet eens om het te reinigen, hetgeen zij dus deden, en misschien ging de hogepriester in het heilige van de heiligen om dat te reinigen.
En hoewel de Levieten de eer hadden om de leiders bij dat werk te wezen, hebben zij het toch niet versmaad om, overeenkomstig hun ambt, de dienaren van de priesters te zijn, want het vuil, dat de priesters in het voorhof brachten hebben de Levieten naar de beek Kidron getracht. Al is van de mensen nuttigheid ook nog zo groot, moeten zij er toch niet de plaats om vergeten, waar zij behoren te staan.
3. De spoed, waarmee zij het werk verrichtten, was zeer merkwaardig. Zij begonnen op de eersten dag van de eerste maand, een gelukkig begin van het nieuwe jaar, dat een goed jaar beloofde. Aldus moet ieder jaar beginnen met het verbeteren van hetgeen verkeerd is en het uitzuiveren door boete en berouw van alle verontreiniging, die in het vorige jaar was opgedaan. In acht dagen hebben zij de tempel gezuiverd en gereinigd, en in nog acht dagen waren zij met de voorhoven des tempels gereed, vers 17. Laat hen, die goed werk te doen hebben, leren om het vlug en vaardig te doen. Laat hetgeen verkeerd is spoedig verbeterd worden.
4. Het rapport, dat zij aan Hizkia brachten, was zeer aangenaam, vers 18, 19. Zij gaven hem een verslag van hetgeen zij gedaan hadden, omdat hij het was, die hen aan dit werk gezet heeft. Zij roemden niet op de zorg en moeite, die zij hadden aangewend, kwamen ook niet tot hem om betaald te worden, maar om hem te doen weten dat alles, wat ontheiligd was geworden, nu geheiligd was overeenkomstig de wet en tot gebruik gereed was, zodra het hem zou behagen. Zij wisten, dat de Godvruchtige koning zijn hart had gezet op Gods altaar en er naar verlangde om er de dienst op bij te wonen, en daarom leggen zij de meesten nadruk er op, dat dit gereed en in orde was gebracht, dat de vaten van het altaar geschuurd waren en blinkend waren gemaakt, die, welke Achaz in zijn overtreding weggeworpen had als vaten, waar men geen lust toe heeft, hadden zij opgeraapt, geheiligd en hen op hun plaats gelegd voor het altaar. Hoewel de vaten van het heiligdom voor een tijd ontheiligd kunnen worden, zal God toch tijd en middelen vinden om ze weer te heiligen. Gods inzettingen zullen niet altoos falen.