2 Kronieken 8:1-11
Dit hadden wij in 1 Koningen 9:10-24, en daarom zullen wij hier slechts opmerken:
1. Dat Salomo, hoewel hij een man was van grote geleerdheid en kennis, toch zijn dagen niet doorbracht in bespiegeling maar in handeling, niet in zijn studeervertrek maar in zijn land, in het bouwen van steden, en in ze te versterken. In tijden van vrede zich bereiden op tijden van oorlog is evenzeer het werk en de plicht van de mensen, als het hun werk en plicht is om in de zomer voedsel te voorzien voor de winter.
2. Gelijk hij zelf een bedrijvig, werkzaam man was en niet met zijn eigen gemak te rade ging, zo gebruikte hij ook veel handen en hield veel mensen aan het werk. Het is in het belang van de staat om door alle mogelijke middelen de industrie te bevorderen en aan te moediger, en de onderdanen van luiheid en ledigheid af te houden. Er bevonden zich zeer veel vreemdelingen in het land Israël's, velen, die van de Kanaänieten waren overgebleven, en zij waren welkom om er te wonen maar niet om er te wonen en niets te doen. De mannen van Laïs, die niets omhanden hadden, waren een gemakkelijke prooi voor de aanvallers, Richteren 18:7.
3. Toen Salomo het huis Gods was begonnen te bouwen en daar goede voortgang mee maakte, was hij voorspoedig in al zijn andere ondernemingen, zodat hij bouwde al wat hij begeerd had te bouwen, vers 6. Zij, die zin en lust hebben voor bouwen, vinden dat het een bouwwerk tot het andere leidt, en dan zal het laatste werk een verbetering zijn van het voorgaande. Merk nu op:
a. Hoe Gods voorzienigheid Salomo's neiging bevorderde, hem voorspoed gaf, niet alleen in hetgeen hem nodig was te bouwen en hetgeen hem voordelig was te bouwen, maar ook in alles, dat hij begeerde te bouwen.
Zo toegevend een Vader is God soms ten opzichte van de onschuldige begeerten van Zijn kinderen, die Hem dienen. Aldus heeft Hij Jakob genoegen gedaan met deze belofte: Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.
b. Salomo wist toch grenzen te stellen aan zijn begeerten. Hij behoorde niet tot hen, die zich eindeloos uitbreiden en nooit genoeg hebben maar wist zich te beperken, want hij voleindigde al wat hij begeerde, en toen begeerde hij niets meer.
Hij zat niet verdrietig neer, omdat hij nu geen steden meer had te bouwen, zoals Alexander omdat hij geen werelden meer had te veroveren, Habakuk 2:5.
4. Dat een reden, waarom Salomo een paleis bouwde voor de koningin en haar dit voor haar en haar hof als verblijf aanwees was dat hij het niet voegzaam achtte, dat zij in het huls Davids zou wonen, vers 11, in aanmerking genomen, dat dit een plaats van grote Godsvrucht is geweest, en misschien was haar huis eerder plaats van grote ijdelheid.
Zeer waarschijnlijk was zij tot de Joodse Godsdienst bekeerd maar het is zeer de vraag of al haar dienaressen dit ook waren. Misschien hadden zij afgoden van Egypte bij zich en heerste grote ongebondenheid onder haar. Hoewel nu Salomo geen ijver en moed genoeg had, om wat daar verkeerd was te onderdrukken en te straffen ging hij toch in zoverre te rade met de eer van de nagedachtenis zijns vaders, dat hij die plaats niet wilde laten ontwijden, waar de ark Gods geweest is, en waar de Godvruchtige David menig goed gebed had gebeden en menige lieflijken psalm had gezongen. Niet dat al de plaatsen, waar de ark geweest is, zo heilig waren, dat zij nooit meer tot gewoon gebruik mochten dienen, want dan hadden de huizen van Abinadab en Obed-Edom aldus moeten zijn, maar de plaats, waar zij zolang is geweest en waar zij zo openlijk werd bezocht, was zó eerwaardig, dat zij niet geschikt was om de plaats te zijn van zoveel zwierigheid, om niet te zeggen goddeloosheid, als, naar ik vrees, gevonden werd in het hof, door de dochter van Farao gehouden. Tussen het heilige en het gewone moeten de oude grenspalen of bakens in stand worden gehouden. Het was een buitenste voorhof van de tempel dat het voorhof van de vrouwen was.