2 Kronieken 5:1-10
Dit komt overeen met hetgeen wij hadden in 1 Koningen 8:2 en verder, waar een bericht wordt gegeven van het plechtige inbrengen van de ark in de pas opgerichten tempel.
1. Er was geen grote plechtigheid nodig voor het inbrengen van de geheiligde dingen, vers 1. Zij vermeerderden de schat des tempels, en waren misschien zo gerangschikt, dat zij er de schoonheid van verhoogden, er glans en luister aan bijzetten, maar aan de heiligheid ervan konden zij niets toevoegen, want het was de tempel, die het goud heiligde, MATTHEUS. 23:17.
Zie hoe rechtvaardig Salomo was, beide tegenover God en tegenover zijn vader.
Al wat David Gode geheiligd had, heeft hij, hoezeer hij er zelf ook begeerte naar mocht hebben toch volstrekt niet willen vervreemden, maar het bij de schatten des tempels gelegd. De kinderen, die de zegen hunner Godvruchtige ouders willen beërven, moeten hun Godvruchtige voornemens en bedoelingen nauwkeurig en nauwgezet ten uitvoer brengen, maar ze niet tenietdoen.
Toen Salomo al de vaten van de tempel in groten overvloed gemaakt had, Hoofdstuk 4:18, was er nog veel over van de materialen, dat hij tot geen ander gebruik wilde aanwenden, hij legde het weg bij de schatten voor een mogelijken tijd van nood. Geheiligde dingen moeten niet vervreemd worden. Dit te doen is heiligschennis.
2. Maar wèl was het voegzaam, dat de ark met grote plechtigheid ingebracht zou worden, en zo geschiedde het dan ook. Voor al de andere vaten werden nieuwe gemaakt en, naar verhouding van het huis groter dan zij in de tabernakel geweest waren, maar de ark met het verzoendeksel en de cherubs was dezelfde, want de tegenwoordigheid en de genade Gods zijn in kleine vergaderingen dezelfde als die zij in grote vergaderingen zijn, in de armelijken toestand van de kerk dezelfde als in haar staat van voorspoed en bloei, waar het ook zij, dat twee of drie vergaderd zijn in de naam van Christus, daar is Hij even waarlijk tegenwoordig, als wanneer er twee of drie duizend waren. Het inbrengen van de ark geschiedde in tegenwoordigheid van een zeer grote vergadering van de oudsten van Israël, die ongetwijfeld een zeer groots en indrukwekkend aanzien had, vers 2-4. Zij werd gedragen door de priesters, vers 7, in het heilige van de heiligen gebracht en onder de vleugelen geplaatst van de grote cherubs, die Salomo daar gesteld had, vers 7, 8 , en zij was daar tot op deze dag, niet de dag, waarop dit boek geschreven werd, na de ballingschap, maar toen het boek geschreven was, waaraan deze geschiedenis ontleend is. Of wel: naar een betere overzetting, zij waren daar tot op deze dag, de dag van Jeruzalems verwoesting, die noodlottigen dag, Psalm 137:7. De ark was een type van Christus, en als zodanig een teken van de tegenwoordigheid Gods. Die genaderijke belofte: Ziet, "Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding van de wereld", brengt in waarheid de ark in onze Godsdienstige vergaderingen, zo wij in geloof en gebed vasthouden aan die belofte en er met vurigheid en ernst op aandringen, zeggende: Heere, waartoe zouden wij opgaan, indien Uw aangezicht niet met ons opgaat? De tempel zelf is, als Christus hem verlaat, een woeste plaats, MATTHEUS. 23:38.
3. Met de ark brachten zij ook de tabernakel op, en al de heilige vaten, die in de tabernakel waren, vers 5. Zij werden niet vervreemd, omdat zij Gode gewijd waren, niet veranderd of versmolten voor het nieuwe werk omdat zij niet meer nodig waren, maar zorgvuldig bewaard, als gedenkstukken van de oudheid. en waarschijnlijk werden de vaten, die nog geschikt waren voor gebruik, ook nog in gebruik genomen.
4. Dit geschiedde met groot vreugdebetoon. Zij hebben bij die gelegenheid een heilig feest gehouden, vers 5, en offerden schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld noch gerekend worden, vers 6.
De vestiging van de openbare eredienst Gods, overeenkomstig Zijn instelling en met de tekenen van Zijn tegenwoordigheid, is en behoort te zijn een oorzaak van grote vreugde voor ieder volk. Als Christus een gestalte heeft gekregen in de ziel, als de wet in het hart is geschreven, de ark des verbonds daar nu een vaste woonplaats in heeft, zodat het de tempel wordt van de Heiligen Geest, dan is er ware blijdschap en voldoening in die ziel.
Van alles, waar wij genot en vertroosting van hebben, moeten wij door de offeranden des lofs Gode de eer geven en daarin niet nauw zijn, want in zulke offeranden heeft God een welbehagen. Indien God ons begunstigt met Zijn tegenwoordigheid, moeten wij Hem eren met onze diensten, en wel met de beste, die wij Hem geven kunnen.