Ezra 8:1-20
Ezra had zijn lastbrief van de koning ontvangen, en nu roept hij vrijwilligers op om "de verdrevenen van Israël te verzamelen, en de" "verstrooiden uit Juda te vergaderen," Jesaja 11:12. "Wie is er onder de zonen van Zion, die bij dochteren van Babel wonen, geneigd om naar Jeruzalem te gaan, thans, nu de tempel gebouwd en de tempeldienst weer aan de gang is, is het de tijd voor hen." Nu zou men denken dat onder zo'n aanvoerder en met zoveel aanmoediging, al de Joden "zich eindelijk uit het stof geschud" zouden hebben, "zich" "los hadden gemaakt van de banden van hun hals," overeenkomstig de oproep in Jesaja 52:1, 2 en verv. Ik vraag mij af hoe iemand van hen dat hoofdstuk kon lezen en achterblijven. Maar zeer velen deden het, die hun gemak meer beminden dan hun Godsdienst, zich in goede doen achtten waar zij waren, niet geloofden dat in Jeruzalem hun toestand beter zou zijn dan in Babel, en de moed niet hadden om zich onder bezweren en moeilijkheden daarheen op weg te begeven. Maar hier wordt ons gezegd:
I. Dat sommigen zich vrijwillig aangeboden hebben om met Ezra te gaan. De hoofden van de onderscheidene geslachten worden hier genoemd tot hun ere, en het getal van de manspersonen die met hen kwamen, opgegeven, tezamen uitmakende veertienhonderd zes en negentig personen. Er worden hier twee priesters genoemd, vers 2, en één van de zonen van David, maar zij schijnen gekomen te zijn zonder hun gezin, waarschijnlijk wilden zij eerst zien hoe Jeruzalem hun beviel, om dan naar bevind van zaken, of hun gezin te laten halen, of er toe weer te keren. Verscheidenen van deze geslachten hebben wij tevoren gehad, Hoofdst.2. Sommigen trokken toen op, meerderen gingen nu, naar God hun hart had geneigd, sommigen werden in de derde ure in de wijngaard geroepen, anderen niet voor de elfde ure, maar ook deze werden niet afgewezen. Maar hier lezen wij van de laatsten van de kinderen van Adonikam, vers 13, hetgeen door sommigen als een verwijt voor hen wordt opgevat, namelijk dat zij de laatsten waren om zich onder Ezra's banier te scharen. Ik versta het veeleer tot hun eer, namelijk dat nu al de kinderen van dat geslacht waren teruggekeerd en niemand hunner meer achtergebleven is.
II. Dat de Levieten, die met dit gezelschap optrokken, in zekere zin tot deze dienst geprest waren. Ezra stelde een plaats van samenkomst vast voor geheel zijn gezelschap, op de Nieuwjaarsdag, de eersten dag van de eerste maand. Hoofdst. 7:9. Toen heeft hij hen daar gemonsterd, en (wat vreemd was) hij bevond dat er geen van de kinderen van Levi bij waren, vers 15. Er waren wel sommige priesters, maar geen Levieten. Waar was de geest van die heilige stam? Ezra, een priester, roept gelijk Mozes: Wie de Heere toebehoort kome tot mij! Gans verschillend van Levi deinzen zij terug, en begeren zij tussen de stallingen te blijven om het geblaat van de kudden te horen. Wij veronderstellen dat zij in Babel synagogen hadden, waarin zij baden en predikten en de sabbat hielden, (en toen zij niets beters konden hebben hadden zij reden om daar denkbaar voor te zijn) maar nu de tempel te Jeruzalem geopend was, voor de dienst waarvan zij verordineerd waren, hadden zij aan de poorten van Zion de voorkeur moeten geven boven al deze synagogen, het is hier vermeld tot hun schande, maar verkondigt het niet te Gath. Toen Ezra bemerkte dat hij geen Levieten in zijn gevolg had, was hij in grote verlegenheid. Hij had geld genoeg voor de tempeldienst, maar gebrek aan hen. De koning en de vorsten hadden meer dan genoeg gedaan, maar de kinderen van Levi hadden niet half het hunne gedaan. Elf mannen, hoofden, verstandige mannen, koos hij, om deze betreurenswaardige leemte aan te vullen. En nu wordt ons hier gezegd: 1. Dat zij uitgezonden werden. Ezra zond hen naar de geschiktste plaats, waar een college van Levieten was, de plaats Chasifja, waarschijnlijk een straat of een plein in Babel, die voor dat doel was afgestaan (men zou het Zilverstraat kunnen noemen, want chesif betekent zilver), hij zond hen naar een geschikt persoon, Iddo, het hoofd van dit college niet om hem te dringen zelf te komen (wij willen veronderstellen dat hij oud was en ongeschikt voor zo'n reis), maar sommigen van de jongeren te zenden, dienaars voor het huis van onze God, vers 17. Gods huis te voorzien van goede dienaren is een goed werk, dat tot vertroosting en eer zal zijn van allen, die er de hand in hebben.
2. Er wordt ons hier hun welslagen meegedeeld. Zij zijn niet onverrichter zake teruggekeerd, maar hoewel zij weinig tijd hadden om zich voor te bereiden, brachten zij ongeveer veertig Levieten mee om met Ezra op te trekken, Serebja bekend als een zeer verstandig man, en achttien met hem, vers 18, Hasabja, en met hen twintig vers 19. Hieruit blijkt dat zij er niet afkerig van waren om te gaan, maar slechts traag en onachtzaam waren, slechts nodig hadden om opgeroepen te worden, er toe aangespoord te worden. Hoe jammer is het dat Godvruchtige mensen een goed werk nalaten, enkel en alleen uit gebrek van er toe opgewekt te worden, hoe jammer, dat zij dit nodig hebben, en als zij het nodig hebben, hoe jammer, dat het hun er aan ontbreekt! Van de Nethinim, de dienaren van het heilig college, de specie infima-de laagste orde van de tempeldienaren, schenen er meer bereid te zijn om te gaan dan van de Levieten zelf, van hen hebben op deze haastige oproep zich tweehonderd twintig aangemeld, en zij hadden de eer om op Ezra's monsterrol met name genoemd te zijn, vers 20. "Aldus, " zegt Ezra, zijn wij door de goede hand van onze God over ons van Levieten voorzien geworden." Als er, waar leraren ontbraken, de ledige plaatsen weer bezet werden, dan moet God er de eer voor ontvangen, en Zijn goede hand moet worden erkend in hen bekwaam te maken voor de dienst hen er toe te neigen, en hun dan een deur te openen d.i. hun de gelegenheid tot dienen te geven.