Handelingen 19:1-7
Efeziërs was ene zeer belangrijke stad in KleinAzië, vermaard wegens een aldaar opgerichten tempel voor Diana, die een der wonderen was van de wereld. Daarheen kwam Paulus om er het Evangelie te prediken, terwijl Apollos te Corinthe was, vers 1. Terwijl Apollos aldaar nat maakte, heeft Paulus hier geplant, hij misgunde het Apollos niet, dat hij op zijn arbeidsveld was gekomen, en voortbouwde op het fondament, dat hij had gelegd, integendeel, hij verheugde er zich in, en ging met des te meer blijmoedigheid en voldoening voort met den nieuwen arbeid, die hem te Efeziërs was aangewezen, nu hij wist, dat zulk een bekwaam leraar des Nieuwen Testaments, als Apollos was, thans het werk te Corinthe voortzette, en hoewel er personen waren, die hem als hoofd ener partij tegen Paulus opwierpen, 1 Corinthiërs 1:12, was Paulus toch niet naijverig op hem, en heeft hem de genegenheid niet mishaagd, die het volk hem toedroeg. Nadat Paulus het land van Galatië en Frygië doorreisd had, en ook de bovenste delen des lands, Pontus en Bithynië, die Noordelijk lagen, was doorgetrokken, kwam hij eindelijk te Efeziërs , waar hij Aquila en Priscilla had gelaten, en vond hen aldaar. Bij zijne aankomst vond hij er enige discipelen, die geloof beleden in Christus, als den waren Messias, maar nog in de laagste klasse waren van Christus' school, onder Zijn ondermeester, Johannes den Doper. Hun aantal was omtrent twaalf mannen, vers 7. Zij waren ongeveer in dezelfden toestand als waarin Apollos was, toen hij te Efeziërs kwam, want hij wist alleenlijk den doop van Johannes, Hoofdstuk 18:25, maar zij hadden of gene gelegenheid gehad om met Aquila en Priscilla bekend te worden, of waren nog niet zo lang te Efeziërs , of wellicht waren zij ook niet zo gewillig om onderwezen te worden als Apollos was, want anders zou hun, evenals aan Apollos, de weg Gods nauwkeuriger uitgelegd zijn. Merk hier op:
I. Hoe Paulus hen ondervroeg. Aquila en Priscilla hadden hem waarschijnlijk gezegd, dat zij gelovigen waren, Christus hadden beleden, en hierop stelt Paulus nu een onderzoek bij hen in.
1. Zij geloofden in den Zoon van God, maar Paulus vraagt hun, of zij den Heiligen Geest hadden ontvangen, of zij geloofden in den Geest, wiens werkingen op den geest der mensen ter overtuiging, ter bekering en vertroosting geopenbaard waren enigen tijd nadat de leer, dat Jezus is de Christus, geopenbaard was, of zij bekend waren met deze openbaring en haar geloofden? Dat was niet alles, terstond na Christus' hemelvaart werden aan de apostelen en aan de andere discipelen buitengewone gaven des Heiligen Geestes verleend, en bij onderscheidene gelegenheden werd dit herhaald, hebben zij nu in deze gaven gedeeld? "Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? Hebt gij dit zegel van de waarheid van de leer van Christus in u?" Wij kunnen thans de buitengewone gaven niet verwachten, die zij toenmaals hadden. De canon van het Nieuwe Testament, sedert lang reeds voltooid en bekrachtigd zijnde, steunen en betrouwen wij hierop als op het profetische woord, dat zeer vast is. Maar er zijn genadegaven des Geestes, die aan alle gelovigen geschonken worden, en die voor hen een onderpand zijn, 2 Corinthiërs 1:22, 5:5, Efeziërs 1:13. Nu is het voor ons allen, die het Christelijk geloof belijden van het grootste belang, om ernstig te onderzoeken, of wij al of niet den Heiligen Geest hebben ontvangen. De Heilige Geest is aan alle gelovigen beloofd, aan allen, die er om bidden, Lukas 11:13, maar velen vergissen zich hieromtrent, daar zij wanen den Heiligen Geest te hebben ontvangen, als dit in werkelijkheid toch zo niet is. Gelijk er zijn, die voorgeven de gaven des Heiligen Geestes te hebben, zo zijn er ook, die voorgeven Zijne genade en Zijne vertroostingen te hebben. Daarom behoren wij ons zelven nauwkeurig te onderzoeken, ons af te vragen: Hebben wij den Heiligen Geest ontvangen, als wij geloofd hebben? De boom zal gekend worden aan zijne vruchten. Brengen wij de vruchten des Geestes voort, worden wij door den Geest geleid? Wandelen wij in den Geest? Zijn wij onder de heerschappij van den Geest?
2. Zij erkenden hun onwetendheid ten opzichte van deze zaak: "Of er een Heilige Geest is, is meer dan wij weten, dat er ene belofte des Heiligen Geestes is, weten wij uit de Schriften des Ouden Testaments, en dat die belofte ter bestemder tijd vervuld zal worden, daaraan twijfelen wij niet, maar wij zijn zo geheel buiten alle berichten hieromtrent gebleven, dat wij zelfs niet gehoord hebben, of de Heilige Geest inderdaad als een Geest der profetie is gegeven." Zij wisten (zegt Dr. Lightfoot) dat, volgens de overlevering huns volks, na den dood van Ezra, Haggai, Zacharia en Maleachi de Heilige Geest van Israël was geweken en ten hemel was gevaren, en zij beleden, dat zij nooit gehoord hadden, of Hij was teruggekeerd. Zij spraken, alsof zij dit verwachtten, en verwonderden er zich over, dat zij er niet van hoorden, en zeer welkom zal hun het bericht er van wezen. Het licht des Evangelies, evenals dat van den morgen, was voortgaande en lichtende, trapsgewijze, niet slechts al helderder en helderder door de ontdekking van waarheden, waarvan te voren niet gehoord was, maar al verder en verder, in de ontdekking er van aan personen, die er nooit te voren van gehoord hadden.
3. Paulus vroeg hoe, op wat wijze, zij dan gedoopt waren, indien zij niets wisten van den Heiligen Geest, want indien zij door een van Christus' dienstknechten gedoopt waren, dan zouden zij omtrent den Heiligen Geest onderwezen en in Zijn naam gedoopt zijn. "Weet gij niet, dat Jezus verheerlijkt zijnde, de Heilige Geest nu ook is gegeven? waarin zijt gij dan gedoopt? Dit is vreemd en onverklaarbaar. Hoe! gij zijt gedoopt, en gij weet niets van den Heiligen Geest? Dan voorzeker is uw doop nietig, ongeldig, zo gij niets van den Heiligen Geest weet, want het is het ontvangen van den Heiligen Geest, dat door dit bad der wedergeboorte betekend en verzegeld wordt. Onkunde omtrent den Heiligen Geest is even onbestaanbaar met ene oprechte belijdenis van het Christendom, als onkunde omtrent Christus." Dit nu toepassende op ons zelven, geeft het te kennen, dat diegenen te vergeefs gedoopt zijn, en dus de genade Gods daarin te vergeefs ontvangen hebben, die den Heiligen Geest niet ontvangen hebben, en zich aan Zijne leiding niet onderwerpen. Het is ook ene vraag, die wij ons zelven dikwijls moeten voorleggen, niet alleen tot wiens eer wij geboren zijn, maar ook tot wiens dienst wij zijn gedoopt, opdat wij er ons op toeleggen om aan het doel beide van onze geboorte en onzen doop te beantwoorden. Laat ons dikwijls bedenken waarin wij gedoopt zijn, opdat wij naar dien doop ook ons leven inrichten.
4. Zij erkennen, dat zij gedoopt zijn in den doop van Johannes -eis to Iooannou Baptisma, dat is (zoals ik het opvat) zij waren gedoopt in den naam van Johannes, niet door Johannes zelf (zulk ene gedachte was wel zeer verre van hem) maar door den een of anderen welmenenden, doch zwakken, van zijne discipelen, die in zijne onkunde zijn naam hoog hield als het hoofd van ene partij, den geest en de denkbeelden behoudende van diegenen onder zijne discipelen, die naijverig waren op het toenemen van Christus' invloed, en daarover bij hem klaagden, Johannes 3:26. Een of meer van dezen, die zich zeer gesticht bevonden door den doop van Johannes tot bekering en vergeving van zonden, niet denkende, dat het koninkrijk der hemelen, waarvan hij sprak als nabij gekomen, zo nabij was als het bleek te zijn, waren zo ingenomen met dat denkbeeld, dat zij nu maar bleven bij wat zij hadden en dachten niets beters te kunnen doen dan anderen te bewegen om dit ook te doen, en zo hebben zij in hun blinden ijver voor de leer van Johannes hier en daar iemand in Johannes' naam gedoopt, of, zoals het hier wordt uitgedrukt: in den doop van Johannes, zelven niet verder ziende, en hen, die zij doopten ook niet verder onderrichtende. 5. Paulus verklaart hun de ware bedoeling en betekenis van den doop van Johannes, als voornamelijk heenwijzende naar Jezus Christus, en herstelt alzo de vergissing van hen, die hen in den doop van Johannes hadden gedoopt, en hen niet geraden hadden om verder te zien, maar daar nu bij te blijven. Zij, die in onwetendheid zijn gebleven, of door de ene of andere ongelukkige omstandigheid in hun opvoeding in dwaling zijn geleid, moeten daarom niet veracht of verworpen worden door hen die kundiger en rechtzinniger zijn, neen, zij moeten met liefde en medelijden beter onderwezen worden, zoals dezen hier door Paulus werden onderwezen.
a. Hij erkent, dat de doop van Johannes zeer goed was, zover als hij strekte, Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekering. Door dezen doop heeft hij het volk den plicht opgelegd berouw te hebben van hun zonden, en ze te belijden, er zich van af te wenden, en als men de mensen hiertoe brengt, is er al zeer veel gewonnen. Maar:
b. Hij toont hun, dat de doop van Johannes ene verdere strekking had, dat hij nooit bedoeld had, dat degenen, die hij doopte, daar nu bij zouden blijven, maar hun zei, dat zij moesten geloven in Hem, die na hem zou komen, dat is: in Christus Jezus, dat zijn doop der bekering slechts bestemd was om den weg des Heeren te bereiden, en hen genegen te maken Christus te ontvangen, dien zij toen verwachtten, ja tot wie hij hen henen wees: Zie het Lam Gods. "Johannes was een groot en Godvruchtig man, maar hij was slechts de voorloper, Christus is de Vorst, zijn doop was het voorportaal, waardoor gij heen moest gaan, niet het huis, waarin gij moet verblijven, en daarom was het gans verkeerd, dat gij in den doop van Johannes gedoopt zijt."
6. Toen hun aldus de dwaling was aangetoond, waarin zij geleid waren, hebben zij die ontdekking dankbaar aangenomen, en toen werden zij gedoopt in den naam des Heeren Jezus. vers 5. Wat Apollos betreft, van hem werd gezegd, Hoofdstuk 18:25, dat hij alleenlijk den doop van Johannes wist, dat hij er, toen hij er in gedoopt was, de betekenis van begrepen heeft, hoewel hij alleenlijk dien doop wist, maar toen hij den weg Gods nauwkeuriger kende, is hij niet nogmaals gedoopt, evenmin als de eerste discipelen van Christus, die met den doop van Johannes gedoopt waren, en wisten, dat hij heen wees op den Messias, wiens komst nabij was, en er zich met het oog hierop aan hadden onderworpen, opnieuw gedoopt werden. Maar voor dezen hier, die dezen doop slechts hadden ontvangen met het oog op Johannes, en niet verder zagen, alsof hij hun Zaligmaker was, was dit zulk ene fundamentele dwaling, dat zij er noodlottig voor was, evenals voor ieder, die in den naam van Paulus gedoopt zou zijn, 1 Corinthiërs 1:13. Toen zij er dus toe kwamen, om zich zelven beter te begrijpen, begeerden zij in den naam van den Heere Jezus gedoopt te worden, en dit werden zij dan ook. Niet door Paulus zelf, gelijk wij reden hebben te denken, maar door sommigen van hen, die hem vergezelden. Hieruit volgt nu geenszins, dat er generlei overeenkomst was tussen den doop van Johannes en dien van Christus, noch dat zij in wezen, in substantie, niet gelijk waren, en nog veel minder volgt hieruit, dat zij, die eens gedoopt zijn in den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen Geestes, (dat de vastgestelde formule is van den doop van Christus,) in dezelfden naam wederom gedoopt mogen worden, want zij, die hier in den naam des Heeren Jezus gedoopt zijn, zijn nooit te voren aldus gedoopt.
II. Hoe Paulus hun de buitengewone gaven des Heiligen Geestes heeft meegedeeld, vers 6.
1. Paulus heeft plechtig gebeden tot God om hun deze gaven te geven, waarvan zijne handoplegging het teken was. De handoplegging geschiedde door de aartsvaders als zij zegenden, inzonderheid voor de overdracht van het grote pand der belofte, zoals Genesis 48:14. Daar de Geest de grote belofte was van het Nieuwe Testament, hebben de apostelen Hem meegedeeld door de oplegging der handen, "De Heere zegene u met dien zegen, die de zegen der zegeningen is," Jesaja 44:3.
2. God gaf hetgeen, waar hij om bad, de Heilige Geest kwam op hen, op verrassende, overweldigende wijze, en zij spraken met vreemde talen en profeteerden, zoals de apostelen en de eerste bekeerlingen uit de Heidenen, Hoofdstuk 10:44. Dit was bedoeld ter inleiding van het Evangelie te Efeziërs, en om in het hart der mensen grote verwachtingen daarvan op te wekken. Sommigen denken, dat het voorts ook nog bestemd was, om deze twaalf mannen bevoegd en bekwaam te maken voor den Evangeliedienst, en dat zij de ouderlingen van Efeziërs waren, aan wie Paulus de zorge en het bestuur dier gemeente heeft opgedragen. Zij hadden den Geest der profetie, opdat zij zelven de verborgenheden van het koninkrijk Gods zouden verstaan, en de gave der talen, opdat zij ze aan alle natie en taal, en volk zouden prediken. O! welk ene wondervolle verandering heeft hier plotseling in deze mannen plaats gehad! Zij, die zo even nog zelfs niet gehoord hadden of er een Heilige Geest is, zijn nu zelven vervuld van den Heiligen Geest, want evenals de wind, blaast de Geest waarheen en wanneer Hij wil.