3. Zo wij ook, die van het huis van Israël zijn, toen wij ten tijde van het Oude Verbond of onder het Oude Testament nog minderjarige kinderen waren, zo waren wij, hoewel als Gods eerstgeboren zoon (
Exodus 4:22), de geroepen erfgenamen van de belofte (
Handelingen 2:39), toch nog geenszins in het bezit daarvan (
Hebreeën 11:39 v.), maar wij waren dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen van de wereld, als dienstknechten onder die gesteld.
Ook hier lopen weer over de verschillende punten, die tot juist verstand van de zaak in aanmerking komen, de meningen van de uitleggers zeer uiteen. Wij zullen ons ook hier niet door de verschillende zienswijzen in verwarring laten brengen, maar stil ons spoeden tot een helder en zeker verklaren van de woorden van de tekst. Aan het einde van het vorige hoofdstuk had de apostel de Galaten toegeroepen: "Als u van Christus bent, dan bent u dan Abrahams zaad en naar de beloftenis erfgenamen. " Daarmee had hij deze, die bijna alle oorspronkelijk heidenen waren, die buiten het burgerschap van Israël en vreemdelingen over de testamenten van de beloften (Efeze 2:12) waren, geplaatst op dezelfde hoogte, als door Christus aan het volk van Israël was toegekend, dat zij kinderen waren van Abraham en erfgenamen van de beloften (Johannes 8:37. Mattheus 15:26), als ook later Petrus diezelfde Christenen in Galatië en in de omliggende landen toeroept (1 Petrus 2:9): "U bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk", waardoor hij de erenaam bij de wetgeving de kinderen van Israël gegeven (Exodus 19:6. Deuteronomium 7:6), op hen overdraagt. Nu ontstaat de vraag wat die Oud-Testamentische plaats van Israël als kinderen van Abraham en erfgenamen van de belofte voor een betekenis heeft en in hoeverre die volkomen kan bewaard blijven, als nu in het Nieuwe Testament allen zonder onderscheid, ook de heidenen, die in Christus gelovig worden, op die hoogte worden geplaatst. De apostel weet zeer goed de voorrang van de Joden d. i. wat zij boven de heidenen in de tijd vóór Christus vooruit hebben, te waarderen (Romeinen 1:16; 3:1 v. ; 9:4 v. ; 15:8; Deze voorrang kan hij door het slotwoord van het vorig hoofdstuk niet hebben willen prijsgeven; hij moet er daarom nu nader hier over spreken, hoe de een waarheid met de andere overeenstemt en hoe de nieuwe toestand van gelijkheid van alle mensen in Christus te rijmen is met de oude toestand van particularistisch bevoorrechten van de Joden. Nu beschouwt hij de Oud-Testamentische gemeente van God in haar Joods-nationale afzondering van de heidenen als de vertegenwoordigster van de nog onmondige kinder-leeftijd, haar vorming tot een Nieuw-Testamentische gemeente met een universele bestemming, die alle mensen omvat als een intreden in het kindschap, dat nu meester is geworden van zijn goederen en rechten. Het lijdt geen twijfel of wij moeten bij de gelijkenis van Vers 1, 2: "ik zeg, zo lang als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij in niets van een dienstknecht, terwijl hij een heer is van alles; maar hij is onder voogden en verzorgers tot de tijd van de vader van te voren gesteld" aan een knaap denken, wiens vader gestorven is en niet, zoals vele uitleggers beweren, aan een erfgenaam wiens vader nog leeft. De laatste opvatting is daardoor weerlegd, dat van de knaap wordt gezegd 1) dat hij een heer is van alle goederen, hetgeen bij het leven van de vader nooit het geval is geweest; 2) dat tussen hem en een dienstknecht geen onderscheid is, dat met zijn verhouding in het huis van de nog levende vader niet overeenkomt; 3) dat hij onder voogden en verzorgers is tot de tijd van de vader van te voren gesteld, dat zo duidelijk mogelijk wijst op de staat van een weeskind gedurende de tijd van zijn onmondigheid, alhoewel ook het Griekse woord, dat in de grondtekst voor "voogd" staat (epitropog) wel de meer algemene vertaling van "opziener" toelaat. Geheel onnodig is het er zich aan te ergeren dat, wanneer de erfgenaam als iemand moet worden gedacht, wiens vader is gestorven, men in het tegenbeeld niets zou hebben, dat daaraan beantwoordt, omdat toch God op generlei manier als een dode zou kunnen worden voorgesteld. Deze bedenking is dezelfde als die, die vele uitleggers terughoudt, boven in Hoofdstuk 3:15 het Griekse woord, dat "testament" betekent in die zin op te vatten, zodat het door "verbond" wordt vertaald. De bedenking wordt dadelijk weggenomen als men bedenkt wat Windischmann zo juist opmerkt, dat, zolang de levende betrekking van de mensheid tot God nog niet was hersteld door de verlossing, er een even grote scheidsmuur bestond tussen God en de mens, als die van de dood tussen de gestorven vader en de achtergelaten kinderen. Men heeft verder gemeend, dat, omdat volgens Grieks en Romeins, ook bij ons nog geldend recht, het einde van de minderjarigheid door een openbare wet was bepaald en die dus niet van de wil van de vader afhing, de uitdrukking "tot de tijd van de vader te voren gesteld" noodzaakte te denken aan een vader die nog leefde en die de zoon tot een zekere tijd, waarvan de vaststelling hem als een bijzondere zaak vrijstond, onder opzieners en verzorgers gesteld had, om na het einde daarvan hem tot een zelfstandig bezitter te maken van het hem toegedachte deel van het goed. Maar er zijn bij de Joden van de toenmalige tijd meerderen geweest dan de vorstelijke families van Herodes, die zich richtten naar het Romeinse recht, terwijl het volk zijn eigenaardige gewoonten behield, die met dat recht overeenstemden. Wat de Galaten betreft, op wier gewoonten de gelijkenis door de apostel aangehaald hoofdzakelijk doelt, zo weten wij, dat bij de Galliërs, waarmee de Galaten toch nationaal verbonden zijn, de vaderlijke macht veel verder zich uitstrekte dan bij de Romeinen en Grieken. In hoeverre nu de zoon, die door zijn gestorven vader tot de tijd door hen voor het mondig worden gesteld, onder voogden en verzorgers gesteld is, alhoewel hij met de dood van de vader de jure of volgens recht de bezitter is van de door hem achtergelaten goederen en toch gedurende deze zijn afhankelijkheid zich niet van een knecht des huizes onderscheidt, is gemakkelijk te zien. De voogden delen hem zoveel toe als hij tot zijn onderhoud van de aanwezige goederen zal verkrijgen; hij zelf heeft daarover even weinig het juist van vrije beschikking, als de knecht, aan wie slechts een bepaald afgemeten loon is toegekend, maar die overigens niets van de goederen zijn eigendom kan noemen. De verzorgers of bestuurders handelen met het goed naar hun goedvinden, hij zelf heeft over het bestuur evenmin iets te zeggen als de knecht, die zich aan de regels van de huismeester of verzorger moet onderwerpen en alleen te doen heeft wat hem wordt opgedragen. Het is echter ook gemakkelijk te zien, dat als de apostel hierop met de woorden van het derde vers: "zo ook wij, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen van de wereld" van zijn gelijkenis de toepassing maakt op de toestand van erfgenaam bij de Oud-Testamentische gemeente, hij onder de voogden en verzorgers, van wie hij vroeger gesproken heeft, nu hier denkt aan de "uitwendige bepalingen" "de uiterlijke inzettingen" zoals Luther vertaald heeft. Onder deze had God Zijn volk gesteld gedurende de tijd van onmondigheid. Zij maten hem toe hoeveel er nu van de toekomstige goederen kon worden genoten en zij zorgden ervoor, dat deze goederen tot aan hun verantwoording aan de mondig geworden erfgenaam goed bestuurd en verzorgd werden. Toch waren deze zwakke en arme instellingen, zoals Paulus ze in Vers 9 noemt, van zo'n aard en gesteldheid, dat het volk van God onder het Oude Testament, hetwelk onder die geplaatst was, hoewel het erfgenaam en toekomstig bezitter van alle goederen was, toch in werkelijkheid niet van een knecht onderscheiden was, maar als afhankelijk en ondergeschikt, zo ook, in vergelijking met de eigenlijke rijkdom van het huis, in beperktheid en onkunnen doen zijn dagen moest doorbrengen. Welke zijn dan nu die uitwendige, die zwakke en arme instellingen, of zoals ze in onze vertaling worden genoemd, "eerste beginselen van de wereld"? Luther vertaalt op dezelfde manier ook nog andere uitdrukkingen van de grondtekst dicaiwmata Lukas 1:6, dogmata. Colossenzen 2:14, 20, paradoseig 2 Thessalonicenzen 2:15; 3:6). Hier en in Vers 9 geeft hij daardoor een uitdrukking (stoicei a) terug, die hij evenzo in Colossenzen 2:8, 20 vertaalt, in het hoek van de Wijsheid 7:17; 19:17 2 Petrus 3:10, 12 daarentegen met "beginselen" en in Hebreeën 5:12 door "letters. " Het woord betekent in de eerste plaats een kleine opgerichte staak of een stift, vooral aan de zonnewijzer, vervolgens in het meervoud de "letters" als eerste en eenvoudigste bestanddelen van de rede; daarna in het algemeen "de eerste, eenvoudigste bestanddelen van een zaak", dat bij de natuurlijke wereld de "elementen", bij een wetenschap "de eerste beginselen" daarvan zijn. Het woord, door Luther gebruikt, is dus meer een verklaring dan een vertaling. In zijn uitlegging van de brief aan de Galaten merkt hij op: "in de Griekse tekst luiden de woorden: "de elementen van deze wereld"; dit moet verstaan worden van de letter van de geschreven wet, waaruit de wet is samengesteld. Paulus nu geeft aan de wet zo'n naam, omdat hij daardoor wil aanwijzen, hoe zwak zij is; want hoewel de wet de mensen terughoudt, dat zij uiterlijk geen kwaad doen en ze ook dwingt om goed te doen, maakt zij ze daarom nog niet rechtvaardig, verlost ze ook niet van zonden, leidt ze ook niet ten hemel, maar laat ze hier beneden op aarde. De wet kan niets voortbrengen, dat levendig, heilzaam, hemels of goddelijk is, maar wat zij teweeg brengt is alleen "van de wereld. " Daarom handelt Paulus goed, dat hij haar "eerste beginselen van de wereld" noemt, d. i. zoals wij het vertaald hebben, "uitwendige inzettingen". Sommigen verstaan echter onder deze elementen niet de letters of de wet, maar (het woord in de betekenis van "grondbeginselen opvattend) de ceremoniën of uitwendigheden in de godsdienst en in het leven, waarmee men begint en de kinderen het eerst oefent, zodat elementen zoveel zijn als de eerste, minst ontwikkelde, kinderlijke handelingen in de godsdienst. Hij noemt ze daarom "elementen van deze wereld", omdat alle werkheiligen, die de werken van de wet doen, die alleen doen als uitwendig gebonden aan tijdelijke dingen, zaken van deze wereld, als daar zijn, dagen, voedsel, kleding, plaatsen, personen enz. " In overeenstemming met deze tweede verklaring laat Delitzsch de uitdrukking zien op de ceremoniële inzettingen (vgl. Colossenzen 2:16 v.) die te arm en te zwak om de mens inwendig te volmaken, zich ermee tevreden stelden, om door Kosmische (tot het rijk van de wereld behorende, Hebreeën 9:1) middelen een uitwendige heiligheid van het individuele en volkleven teweeg te brengen. Evenzo verklaart Besser: "hoewel de verbondskinderen van het Oude Testament meesters waren van alle goederen, waren zij toch toen gevangen onder velerlei wassingen en reinigingen, onder de afwisseling van maan- en jaargetijden, onder de scheiding tussen het reine en onreine in de dierenwereld en bevonden zich op alle stapen en treden in hun doen en laten gebonden en bepaald door een dwingende wet, die hun voorschreef: "raak niet en smaak niet en roer niet aan" (Colossenzen 2:21). Terwijl dus in Hoofdstuk 3:23, voornamelijk werd gehandeld over de ethische voorschriften van de wet, hebben wij hier hoofdzakelijk aan het ceremoniële deel te denken en dan doet zich het Jodendom in zijn offerdienst en verdere godsdienstige gebruiken, hoezeer het zich ook van de andere gelijktijdige godsdiensten onderscheidt door zijn duidelijk monotheïsme, toch aan de andere kant voor als een godsdienstvorm, die met de godsdienstige ideën en heilige gebruiken van de gehele oude wereld op het nauwst verwant is, zodat ook in dat opzicht de Mozaïsche inzettingen als inzettingen van de wereld, namelijk van de wereld in morele zin, of van de mensheid konden worden voorgesteld en Israël daaronder geplaatst zich nauwelijks onderscheidt van de staat van de dienstknechten, die hier de heidenen zijn, alleen dat deze, die God niet erkenden, diegenen dienden, die van nature goden zijn (Vers 8). "God gaf", zo merkt v. Gerlach op, "de mens, reeds natuurlijk geneigd tot het verkiezen van voedsel en dagen een wet, die in voedsel en tijdperken de hogere, goddelijke waarheden afbeeldde en daarmee de natuurlijke voorwerpen aan de invloed van het bijgeloof onttrok om ze voor God te heiligen, totdat de tijd van de mondigheid zou gekomen zijn. "