12. En dit zeg ik, dit bedoel ik, als ik van scheuringen spreek, dat een ieder van u zegt: "Ik ben van Paulus"; en een ander: "ik van Apollos" (
Hoofdstuk 3:4;
4:6.
Handelingen 18:24) en weer een derde: "ik van Céfas" en een vierde: "ik van Christus" (
Hoofdstuk 3:22,
2 Corinthiërs 10:7Wat de scheuringen betreft moet wel in het oog worden gehouden dat zij nog volstrekt niet tot uitwendige afscheiding waren overgegaan, of zich in sekten verdeeld hadden (vgl. Hoofdstuk 14:23). Er waren integendeel alleen steeds weer terugkerende twisten onder hen, ten gevolge van bijzondere voorliefde voor de ene of andere leraar, zoals die nog tegenwoordig in gemeenten kunnen voorkomen, waarin leraars arbeiden, die onderscheiden gaven hebben, alhoewel zij in belijdenis één zijn. De een geeft aan deze, de ander aan een ander de voorkeur en daarover wordt gedisputeerd. Intussen was dat gevaarlijk genoeg om de apostel te dwingen, dit met alle ernst te bestrijden, opdat uit deze verkeerdheid, die nu nog gemakkelijk kon worden weggenomen, niet iets ergers zou voortkomen.
Bijna algemeen wordt aangenomen, dat hier van vier partijen sprake is, die men door verschillende combinaties weer tot twee hoofdrichtingen zoekt te brengen. Het ligt het meest voor de hand de bekende tegenstelling van de apostolische tijd (heiden- of Jood-Christen) bij te halen, zodat wij twee richtingen zouden moeten onderscheiden, waarvan elk weer uit twee modificaties bestond, of zelfs wel onder dubbele partijnamen (van Paulus en Apollos aan de ene, van Céfas en van Christus aan de andere kant). Men heeft ook de vier partijen daardoor tot twee hoofdtegenstellingen proberen te brengen, dat men een apostolische richting onderscheidde, die zich aan menselijke tussenkomst van het Christendom aansloot (van Paulus, van Apollos, van Céfas) en een anti-apostolische, die geen dergelijke bemiddeling erkende (van Christus). De Christuspartij stelde men dan of aan de heidens-Christelijke, of aan de Joods-Christelijke kant, of men zag in haar een afzonderlijk verband, dat tegenover die beide tegenstellingen even exclusief was.
De volgorde wordt het eenvoudigst verklaard uit het geschiedkundig ontstaan van de partijen. Die van Paulus staat natuurlijk vooraan, omdat de gemeente van Paulus als haar stichter afhankelijk was en zij bij de neiging van het een deel tot Apollos, die later was opgetreden, toch te beschouwen was als de oorspronkelijke partij, die aan Paulus en zijn manier van prediken zich vasthield. Evenmin als echter Paulus een partijhoofd wilde zijn, lag dit in de mening van Apollos, zoals reeds daaruit is op te maken, dat hij, hoewel Paulus hem ertoe dwong, beslist weigerde een bezoek aan de gemeente te Corinthiërs te brengen, om geen voedsel aan de partijgeest te geven (Hoofdstuk 4:6; 16:12). Dat partijwezen was geheel zonder zijn toedoen ontstaan, al was het ook ten gevolge van zijn optreden, dat in Handelingen 18:27 v. wordt verteld. Zijn opvatting van het Evangelie was zonder twijfel in hoofdzaak Paulinisch; maar terwijl Paulus zich eenvoudigheid van voorstellen tot wet maakte, trad bij Apollos de Alexandrijnse geleerdheid en retorisch dialectische vorming meer op de voorgrond. Deze was het, die door een deel van de leden van de gemeente op zo'n hoge prijs werd gesteld dat zij Apollos boven Paulus stelden als een leraar van hogere vorming. Nu verhief zich tegenover de partij van Apollos een van Paulus, die de stichter van de gemeente als haar meester roemde en tot partijhoofd wilde maken. Terwijl dus tussen beide partijen er wel geen tegenstelling van godsdienstige denkwijze plaats vond en het hier alleen te doen was om zekere persoonlijkheden, zal de tegenstelling van een derde partij, die van Céfas of Petrus, wel op de godsdienstig zedelijke denkwijze betrekking hebben gehad. Het ontstaan van deze moet, omdat niet kan worden aangenomen dat Petrus te Corinthiërs is geweest, aan Judaïstische leraars worden toegeschreven, die zich op Petrus beriepen en er belang bij hadden tegenover de partij van Paulus en Apollos een streng wettische te stellen. Zij zullen zeker Petrus op de voorgrond hebben gesteld, omdat deze, die met de Heere zelf omgang had gehad, door Hem was onderscheiden. Het ligt nu voor de hand, dat zich tegenover de verschillende partijen, die zich aan Christelijke leraars en apostelen aansloten, anderen geplaatst zullen hebben, die alleen Christus noemden als het Hoofd, aan wie zij toebehoorden, maar op een partijdig uitsluitende wijze, zodat zij, in plaats van een verenigend element te zijn, de scheuring erger maakten; dat zijn dan die van Christus.
Gaat men van deze naam van de partij van Christus uit, die een oppositie schijnt te kennen te geven tegen de menselijke apostelnamen, dan blijkt daaruit dat die van Christus alle menselijke autoriteit willekeurig verwerpen en tegenover de aanhangers van elke apostel, tegenover de door God zelf gestelde middelen zich alleen aan Christus wilden houden. Evenzo willen vele sekten van de oudere en nieuwere tijd tegenover de kerkleer en alle symbolen zich alleen op de Schrift beroepen, maar die dan in hun zin en door de bril van hun eigen traditie eenzijdig en verkeerd opvatten en terwijl zij de scheuringen van de kerk bestrijden, die slechts vermeerderen.