5. Moeten de ouderlingen van hun zijde de plichten van hun ambt waarnemen en in geen opzicht zichzelf zoeken (
Vers 2 v.), zo ook, u jongen (
1 Timotheus 5:1)! wees de ouden onderdanig (
Hebreeën 13:17.
1 Timotheus 5:17 a) En wees allen elkaar onderdanig (
Efeze 5:21). Wees met de ootmoedigheid bekleed, opdat u niet het volle bezitten van de goddelijke genade verliest, want het is, zoals in
Spreuken 3:34 volgens de Griekse vertaling van het Oude Testament staat (
Jakobus 4:6): "God weerstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade (
Lukas 1:51 v.
Mattheus 23:12).
a) Romeinen 12:10 Filippenzen 2:3
De opzieners van de gemeente werden volgens de algemene waarheid, dat de ouderen regeren moeten, de jongeren geregeerd moeten worden, uit de mannen van gevorderden leeftijd genomen. Zo kan de apostel aan een vermaning, die hij in het bijzonder tot degenen gericht heeft, die de gemeenten als oudsten in de ambtelijke zin van het woord besturen een andere laten volgen, waarmee hij zich tot zodanige gemeenteleden wendt, die jeugdiger zijn.
Deze jongen bekleden wel geen ambt, maar het zijn de jonge leden van de gemeente, de jeugdigen in het midden van haar. Deze moesten, zoals de plaats Handelingen 5:6, 10 aanwijst, op grond van hun jeugdige leeftijd aan de opzieners in hun bedieningen de hand reiken, en zo moesten zij bereidwillig en gehoorzaam in alle soortgelijke werkzaamheden de ouderlingen hun werk verlichten. Daaraan wordt nu de vermaning, die in het algemeen geschiedt: "wees allen elkaar onderdanig" zeer gepast aangesloten. Evenals de jongen zonder bepaalde bediening te bekleden gewillig de ouderlingen hulp moesten verlenen, zo moeten ook alle leden van de gemeente, zonder van rechtswege gedwongen te zijn, door hun onderling gedrag die gezindheid tonen, volgens welke de een van zichzelf klein denkt tegenover de ander en dus in plaats van te verlangen dat men zich naar hem schikt, integendeel zich naar anderen richten, zich naar hun wijze van handelen, hun wensen en belangen richten. Petrus dringt deze aan met een plaats naar de Septuaginta uit de Spreuken van Salomo aangehaald, zoals dat ook Jakobus in zijn brief doet.
Trotsen tasten als het ware de eer van God aan, omdat zij voor zichzelf nemen wat voor God toekomt. Andere zonden vluchten voor God, maar de hoogmoed plaatst zich tegenover God; andere zonden drukken de mens ter neer, maar de trotsheid verheft zich tegen God. Zo worden dan de hoogmoedigen, die voortgaan de wapenen tegen Hem op te heffen, door Zijn sterke hand ter neer geslagen.
De genade is een stroom, die naar de dalen vloeit en ze allen vervult (Jesaja 40:4); de ootmoed is niet alleen een Christelijke deugd naast andere, maar het vat, dat alle Christelijke deugden te samen omvat.
Na de zucht: "wat zullen wij eten, wat zullen wij drinken" wordt ook de vraag: "waarmee zullen wij ons kleden" gedurig door velen herhaald; en niemand zal haar zeker op zichzelf berispelijk achten. Sinds aan de morgen van de Schepping het eerste kledingstuk door de hand van de schaamte gevlochten werd, wordt naast het voedsel de bedekking van het lichaam onder onze behoeften gerekend. Maar is de ziel niet meer dan het lichaam en zou de vermaning om met ootmoedigheid bekleed te zijn, die Petrus tot de eerste gelovigen richtte, voor iemand nodeloos zijn? De apostel denkt daarbij niet zozeer aan die ongeveinsde nederigheid tegenover mensen, die ten allen tijde als een teken van echte grootheid beschouwd werd, maar aan die diepe ootmoed voor God, waarvoor de heidense zedenleer niet eenmaal een woord had, maar die door het Evangelie terecht als hoofdeis aan de schuldige zondaar niet alleen, maar ook aan de gelovige Christen gesteld wordt. Van die ootmoed wil hij, dat die zijn lezers zo innerlijk eigen, zo nauw verbonden met hun wijze van zien en zijn, zo vast met geheel hun in- en uitwendig leven verenigd zal wezen, als het kleed, dat wij dragen, behoort bij en tot onze hele persoon. Nauwelijks is het nodig te herinneren, hoezeer die vermaning door de ervaring van de apostels zelf wordt aangedrongen, die juist door hoogmoedig zelfvertrouwen tot de diepste val was gebracht. Maar hoeveel is er bovendien, waardoor de aanprijzing van de ootmoed, als het beste kleed voor de Christen, volkomen gewettigd mag heten! Dit kleed, het past een ieder van ons, om het even of wij acht geven op God, op onszelf, of op de eigenaardigheid van onze betrekking tot Hem. Of is God niet de Hoogheerlijke, de vlekkeloos Heilige de Kennen ook van het verborgene, voor Wie zelfs de engelen het aangezicht dekken? Wij, wat zijn we anders, dan zo nietige schepselen zo strafwaardige zondaren, zo bezoedelde Christenen, dat alle ijdele zelfverheffing ons slechts bespottelijk, nee, diep verachtelijk kan maken? Ja, voor zover wij werkelijk op geestelijk gebied iets zijn of iets deden, is het niet alleen aan die genade te danken, die zich ook aan het onwaardigste en geringste verheerlijkt? Nee, onder haar oog kunnen wij nooit anders dan in het kleed van de diepste ootmoed verschijnen en juist dat kleed, het dekt ons best tegen zoveel kou, als anders het hart maar al te gemakkelijk binnensluipt en dodelijk wordt voor de gezondheid en de kracht van ons geestelijk leven. Of hoe zou koude ondankbaarheid op den duur in een hart kunnen wonen, dat echt verstaat, hoe iedere weldaad een verbeurde zegen mag heten? Hoe zou koude liefdeloosheid ons de broeder doen minachten, als wij in onszelf niets dan de minste van de heiligen, de voornaamste van de zondaren zien? Hoe zou koude ijverloosheid voor Gods werk en dienst uit onze boezem niet wijken, zodra wij het verstaan, dat ons oneindig veel is vergeven, opdat wij te vuriger liefhebben? Tegen al die kou schut en dekt ons het ootmoedskleed, ja het siert ons meer dan een ander gewaad in mensen en engelen ogen. Al meteen doet de ootmoed ons in het koninkrijk van God het kleed van de eer ontvangen, want de nederigheid gaat vóór de eer en de ootmoedige wordt genade geschonken door Hem, die alle trotsheid weerstaat. Door God begenadigd, zal nu ook de ootmoedige in het beeld van de reinheid voor Zijn heilig aangezicht wandelen, want zoals hoogmoed de bron is van allerlei dwaasheid en zonde, zo zal daarentegen de waarachtige ootmoed gedurig weer tot heilbegerig geloof, het ootmoedig geloof tot Christelijke heiligmaking geleiden. Maar zo wordt dan ook eindelijk het hemels priesterkleed het deel van de verloste, die hier in ootmoedig schuldgevoel zijn kleren in het bloed van het Lam heeft gewassen. Wie kan dat alles indenken zonder de bede, dat de Heere zelf ons het sieraad schenkt van een ootmoedige geest, die zo kostelijk is in Zijn heilige ogen? Ach, al is ons het kleed van de ootmoed door Zijn genade niet vreemd, met hoeveel vlekken van verborgen hoogmoed vooral is het telkens weer bezoedeld voor God en hoe welkom moet ons gedurig weer de gelegenheid zijn om dat gescheurd en bevlekt gewaad als het ware te herstellen en te reinigen aan de voet van het kruis! Immers dat kleed, het mag nooit voor goed worden afgelegd, zolang wij dat van de sterfelijkheid dragen; geen vriendenhand mag het ons van de schouders rukken; geen geest van de tijd het ooit voor versleten en onbruikbaar verklaren. De ootmoedigheid zij veeleer ons dagelijks reiskleed, waarin wij wandelen aan de hand van onze Gods, als kleinwetende kinderen, als begenadigde zondaren. Zij wordt het huiskleed, waarin wij een stille, bescheidene, beminnelijke godsvrucht ten toon spreiden en ons licht laten schijnen voor de mensen, zonder ons eigen schijnsel te prijzen. Mocht zij tevens ons rouwkleed zijn in dagen van smart, waarin wij ons vernederen onder Gods kastijdende hand en ons doodskleed, wanneer eenmaal onze laatste sponde gespreid wordt! Zeker, daarboven kan eindelijk dat kleed voor goed vaarwel gezegd worden. Maar dan wordt ook aan ons het woord van de belofte vervuld: "Zij zullen met Mij wandelen in witte kleren, omdat zij het waardig zijn. "
G. Vers 6-11. De apostel is van het lijden van de lezers (Hoofdstuk 4:12, overgegaan tot het juiste gedrag van deze volgens hun verhouding tot elkaar (Hoofdstuk 5:1-5). Nu keert hij terug tot hun lijden, nadat hij de ootmoed als de ware geest van hun onderling gedrag heeft voorgesteld; hij laat het licht van het aangehaalde woord van de Schrift ook in deze duisternis van hun lijden vallen. Ook tegenover God is de ootmoed, die zich met opoffering van alle eigen wensen en willen vol vreugde aan de voeten legt, de weg, om op de juiste tijd tot de door Hem bereide verhoging te komen (Vers 6). Voor het treurige heden en de duistere toekomst zal dit hun steun zijn, dat zij al hun bekommernissen op Hem wentelen, zoals Hij ook werkelijk voor hen zorgt (Vers 7). Terwijl zij zo zonder zorgen kunnen zijn, moeten zij daarentegen nuchter en wakend zijn, want het is een ontzettende en gevaarlijke vijand, die hen tot zijn buit wil maken (Vers 8). Tegenover deze hebben zij echter dit alleen te doen, dat zij vast in het geloof hem weerstaan en in de geest met hun broeders, over wie hetzelfde lijden in deze wereld komt, zich innig aaneensluiten. Alles, wat zij overigens nodig hebben tot onderhouding en bewaring, zal de God aller genade, die hen geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus hun wel overvloedig toedelen en van hen Zichzelf eer bereiden in alle eeuwigheid (Vers 9-11).
EPISTEL OP DE DERDE ZONDAG NA TRINITATIS
Het Evangelie van deze Zondag handelt over verloren schaap en penning. Men ziet de goede Herder heengaan over de aarde en tegenover de wereld en haar vorst in hun eigen gebied het verloren eigendom zoeken. Terzijde van dit wonderschoon Evangelie staat het epistel, volgens welken men niet de goede Herder, maar wel de vorst van de wereld, de duivel, briesend ziet rondgaan op het gebied van de goede herder en zoeken wie hij zou mogen verslinden. De goede Herder en de wolf, die de kudde verslindt in twee teksten twee paralellen die nooit samenkomen, maar wel elkaar met kracht zouden bestrijden. Tegenover elkaar geplaatst vinden wij dus in de beide teksten van de dag twee personen en hun werk, die van de gemeente van Christus, hoewel om geheel verschillende redenen, nooit uit de gedachte mogen gaan: de beste vriend en de grootste vijand van de zielen moeten altijd voor de ogen en in de gedachten van Jezus' leden zijn; het is een ongeluk en een grote schade als een van beiden wordt voorbijgezien, die ook.
De Christen onder het kruis: 1) hij verootmoedigt zich onder Gods machtige hand, die hem het kruis oplegt; 2) hij werpt op de Vader in de hemel al zijn zorgen die hij over dat kruis heeft; 3) hij wapent zich tegen de tegenstander, die hem het kruis ten verderve wil doen worden; 3) hij verheugt zich in de eeuwige heerlijkheid, die voor hem na het dragen van het kruis is weggelegd.
De lof van de ootmoed: hij vormt ons: 1) tegenover God tot vrome kinderen; 2) tegenover de duivel tot sterke helden, 3) in de wereld tot tevreden pelgrims, 4) voor de hemel tot waardige burgers.
De machtige hand van God: 1) zij maakt ons tot niets, 2) opdat wij de vijand tot niets maken.
De krachtige hand van God: 1) zij verhoogt de ootmoedigen, 2) zij wentelt de steen van zorgen van het hart, 3) zij stopt de muil van de leeuw, 4) zij brengt alles tot een heerlijk einde. De ootmoedigen geeft God genade, want 1) hun last wordt licht, 2) hun geest wordt helder, 3) hun kracht wordt sterk, 4) hun overwinning wordt volkomen.
Twee van de allergevaarlijkste verzoekingen van onze tegenstander: 1) welke die zijn? hoogmoed en wantrouwen tegen God, 2) hoe men ze moet verslaan? daardoor dat men juist het tegendeel doet, vasthoudt aan den ootmoed en aanhoudt met vertrouwen.
De menselijke bestrijdingen in het licht van Gods woord: 1) de verzoekingen van boven lijden, 2) de verzoekingen van binnen zorgen, 3) de verzoekingen van beneden onze tegenstander, de duivel.