33. Daarin is hen niet iets toevalligs overkomen, maar hen is geschied, zoals reeds lang tevoren is voorzegd en in
Jesaja 28:16;
8:14, de inhoud aangaat, geschreven is: a) "Zie, Ik leg in Zion een kostelijke steen, namelijk de belofte van het toekomstige rijk van Jezus Christus, in wie gerechtigheid, leven en zaligheid te vinden is. Voor ieder, die niet gelooft, zal deze zijn een steen des aanstoots en een rots van ergernis, waarover hij valt, zodat hij verloren gaat; en een ieder die in Hem, de Koning, die dit rijk brengt en in Wie alle belofte vervuld wordt, gelooft, zal niet beschaamd worden, noch in deze tijd, noch in de eeuwigheid (
1 Petrus 2:6 vv.).
a) Psalm 118:22. Mattheus 21:42. b) Psalm 2:12. Spreuken 16:20. Jeremia 17:7.
De eerste plaats (Jesaja 28:16) luidt volgens de grondtekst: "Zie, Ik leg een grondsteen in Zion, een beproefde steen, een kostelijke hoeksteen, die goed gegrondvest is, wie gelooft, die zal niet haasten. " De tweede (Jesaja 8:14 luidt: "Dan zal Hij (namelijk de Heere) jullie tot een heiligdom zijn; maar ook tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen van de struikeling van de twee huizen van Israël. " Beide plaatsen laat Paulus slaan op hetzelfde subject, Christus, die voor de gelovigen een uitverkoren, beproefde hoeksteen, maar voor de ongelovigen een steen des aanstoots en een rots van ergernis is, zoals in 1 Petrus 2:6, 7 met uitdrukkelijk op de voorgrond stellen en aaneenknoping van beide verklaringen gezegd is. Paulus stelt daarom, als hij Jesaja 28:16 ten grondslag legt, overeenkomstig zijn doel in de plaats van de beproefde steen, de kostelijke steen, die wel gegrondvest is, uit Jesaja 8:14, de steen des aanstoots en de rots van ergernis; want hij handelt hier over hetgeen Christus voor de ongelovigen en niet over hetgeen Christus voor de gelovigen is. Inderdaad heeft men ook tot de verklaring over de Messias, alsook tot de daarop gebouwde verbintenis van beide plaatsen volkomen recht. Volgens Jesaja 8:14 wil de Heere zelf de gelovigen tot een heiligdom zijn, dat is tot een plaats van vrede, van troost, van geestelijke versterking en verkwikking, die belofte in de tijd, toen Christus in de plaats trad van de tempel met handen gemaakt, als de ware, geestelijke tempel (Openbaring 1:22), haar hoogste vervulling verkreeg. Dit gebouw, voor het stoffelijk oog onzichtbaar, is echter tevens voor de vleselijke gezindheid een steen des aanstoots en een rots van ergernis. Met Jesaja 28:16 moet worden vergeleken Zacharia 3:9, waar sprake is van de steen, die voor Jozua ligt, waarop de zeven ogen van God zijn gevestigd, die de Heere met graveersel wil graveren en de ongerechtigheid van het land wegnemen. Deze steen is een beeld van de theocratie en van haar zetel, de tempel, om aan te wijzen haar geringheid in die tijd en de verheerlijking, die de Heere teweeg zal brengen. Deze heerlijkheid zal door de Messias, de knecht Zemah ("Spreukenit (Zacharia 3:8) teweeg worden gebracht. Hetzelfde is waar van de beproefde hoeksteen (Jesaja 28:16), die een beeld is van de ideale theocratie, die door Christus werd hersteld. Ja, het doelen op de Messias zal op deze plaats nog wel meer direct plaats hebben dan op de plaats van Zacharia. Daarvoor spreekt in de eerste plaats het woord "grondsteen", dat gemakkelijker dan van de theocratie, zoals die op nieuwe, onwankelbare fundamenten zal worden gebouwd, van de Heere zelf, haar Stichter, kan worden verklaard, zo ook vooral Jesaja 8:14 Evenals daar de Heere zelf het heiligdom en tevens de steen des aanstoots wordt genoemd, zo heet Hij hier de kostbare en beproefde grondhoeksteen van dit heilig gebouw. Terwijl Hij Zichzelf het fundament van het nieuwe Godsrijk maakt, is het op onwankelbare grond gebouwd. Ook deze belofte heeft haar eigenlijke en volledige verwezenlijking eerst in Christus gevonden en wordt dienvolgens met recht door de Apostel in het bijzonder van Hem verklaard.
Draagt het ongeloof van Israël, zoals Paulus in Vers 31 v. zegt, de schuld van zijn verwerping, dan kan niet de onvoorwaardelijke goddelijke genade als de oorzaak daarvan worden gedacht. Want als de Joden hun ongeloof wordt verweten, dan moeten zij ook kunnen geloven; maar stond het geloven of het niet geloven in hun macht en is hun ongeloof slechts het gevolg van hun weerbarstige wil, dan kan niet tegelijk geloof en ongeloof afhankelijk zijn van willekeur van de goddelijke voorbeschikking. Want anders zou in hun macht staan wat toch tevens niet in hun macht staat. Onmogelijk kan God verder eisen wat Hij zelf onthoudt en straffen wat Hij zelf teweeg heeft gebracht. Dat zou in tegenspraak zijn met de door God geopenbaarde idee van goddelijke gerechtigheid en liefde. Eindelijk, was reeds in Hoofdstuk 9:6-29 de mening van de apostel deze, dat Israël door het eeuwig raadsbesluit van God (het decretum absolutum) van de zaligheid in Christus was uitgesloten, dan kon hij onmogelijk in Vers 32, waar hij de vraag naar de reden van die uitsluiting opwerpt, het vroeger reeds gegeven antwoord geheel verloochenen, nog minder in de plaats daarvan het tegenovergestelde antwoord geven.