2 Corinthiërs 10:7-11
In deze verzen gaat de apostel voort dit onderwerp met de Corinthiërs te behandelen, in verzet tegen hen, die hem verachtten, veroordeelden of kwaad van hem spraken. Ziet gij aan wat voor ogen is? vraagt hij, vers 7. Is dat de juiste wijze om dingen of personen te waarderen, en tussen mij en mijn tegenstanders te oordelen? De uitwendige verschijning van Paulus was onaanzienlijk en in zeker opzicht verachtelijk, hij had geen schoon voorkomen zoals wellicht sommigen zijner tegenstanders, maar dat was een verkeerde maatstaf om naar te oordelen. Het schijnt dat sommigen heel hoog over zich zelven roemden en een goede vertoning maakten. Iemand kan zeer geleerd schijnen, zonder nochtans Christus geleerd te hebben, zeer deugdzaam schijnen zonder enig beginsel van genade in het hart te hebben. Maar toch handhaaft de apostel omtrent zich zelven twee dingen:
I. Zijne betrekking tot Christus. Indien iemand van zich zelven betrouwt dat hij van Christus is, alzo zijn ook wij van Christus, vers 7. Het blijkt hieruit dat Paulus' tegenstanders er zich op beroemden dat zij tot Christus in betrekking stonden als Zijn dienaren. Nu zegt de apostel tot de Corinthiërs: "Aangenomen dat dit zo is, toegestemd dat ze daarin de waarheid spreken, laat waar zijn hetgeen waar ze zich op beroemen, dan moeten ze toch van ons toestemmen dat ook wij alzo van Christus zijn". Laat ons hier opmerken, dat bij openhartige bestraffing, wij toch behoren toe te stemmen al wat redelijker wijze erkend moet worden, en het niet voor onmogelijk mogen houden, dat zij die zeer veel van ons verschillen, evengoed als wij Christus kunnen toebehoren.
1. Wij mogen nooit, ook bij de liefderijkste inwilligingen voor anderen, die met ons verschillen, ons zelven van Christus scheiden of onze betrekking tot Hem ontkennen. Want:
2. In Christus is plaats voor velen, en zij, die onderling veel verschillen, kunnen toch een zijn in Hem. Het zou er veel toe bijdragen om onze verschillen uit den weg te ruimen, indien wij ons steeds wilden herinneren, dat met hoeveel vertrouwen wij ook kunnen zeggen dat wij Christus toebehoren, wij terzelfder tijd behoren toe te stemmen dat anderen, die van ons verschillen, Hem ook kunnen toebehoren en als zodanig moeten behandeld worden. Wij mogen niet denken dat wij "het volk" zijn en dat niemand dan wij Christus kan toebehoren. Dit mogen wij voor ons zelven pleiten tegen hen die ons oordelen en verachten, dat wij-hoe zwak we ook zijn mogen, -van Christus zijn evenals zij. Wij belijden hetzelfde geloof, wij wandelen naar dezelfden regel, wij bouwen op hetzelfde fondament en hopen op dezelfde erfenis.
II. Zijn door Christus verleend gezag als apostel. Dit had hij vroeger vermeld, vers 6, en nu zegt hij dat hij er opnieuw over spreken mag, en wel met zekeren roem, daar het ene waarheid was, dat de Heere het hem gegeven had, en dat was meer dan zijn tegenstanders met recht van zich zelven beweren konden. Hij was er zeker van, dat hij niet zou beschaamd worden, vers 8. Hieromtrent merken wij op:
1. De aard van dit gezag. Het was tot stichting en niet tot neder werping. Dit is inderdaad het doel van alle gezag, zowel burgerlijk als geestelijk, en het was het doel van het apostolisch gezag en van alle kerktucht.
2. De voorzichtigheid, waarmee hij over dat gezag spreekt, belijdende dat zijn voornemen niet was hen te verschrikken door grote woorden of strenge brieven, vers 9. Naar het schijnt weert hij hier een vroeger tegen hem gemaakte tegenwerping af, vers 10. Maar de apostel verklaart dat zijn doel niet is hen te verschrikken, die gehoorzaam waren, en dat hij niets schreef in zijn brieven, hetgeen hij niet instaat was tot daden te brengen tegen de ongehoorzamen, en hij wil dat zijne tegenstanders dat zullen weten, vers 11, dat hij bij de hem opgedragen apostolische macht, wanneer hij die uitoefende, de uitwerking daarvan paren zou.