9. God is getrouw (
Hoofdstuk 10:13.
1 Thessalonicenzen 5:24.
2 Thessalonicenzen 3:3 waardoor u geroepen bent tot a) de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere reeds voor de tegenwoordige tijd, die gemeenschap in die dag zal worden volmaakt (
Johannes 17:24).
a) Jeremia 32:40, Johannes 15:5. 1 Johannes 1:3.
De ouden vonden in de belofte: "die u ook zal bevestigen tot het einde", een zachte wenk, dat het bij de Corinthiërs nog ver af was van vastheid; maar ik kan voor iemand van God bidden, dat hij bevestigd wordt, zonder dat ik daarmee van hem zeg, dat hij op een riet lijkt, dat de wind heen en weer beweegt, zonder dat hij de sterkte, de standvastigheid in het geloof heeft verloren. Wij ontkomen niet, dat zich een groot deel van de gemeente te Corinthiërs door allerlei wind van lering liet meeslepen; maar de apostel denkt hier niet aan deze wankelende en zwakke zielen. Hij ziet de gemeente in haar geheel, met ogen en harten naar de hemel gewend, de openbaring van onze Heere Jezus Christus verwachtend; en dan kan hij niet anders dan uit de diepste grond van zijn harten tot God bidden, dat God ze tot het einde bevestigt.
De apostel, een vijand van alle pelagianisme, brengt niet slechts de beginnende, maar ook de voortgaande en voleindigende werkzaamheid bij de vernieuwing van de mens alleen tot God terug. De mens heeft alleen de negatieve werkzaamheid, dat hij de genade niet weerstaat.
De gemeenschap van Jezus Christus, waartoe God ons roept, omvat de gehele verhouding, waarin wij door de kracht van het gehoorde en geloofde woord en van het ontvangen Sacrament zijn geplaatst, van het kindschap bij God, dat wij in Hem hebben, tot aan de erfenis van de heerlijkheid, die wij met Hem delen.
Het is opmerkelijk hoe de apostel opzettelijk de naam van de Heere Jezus Christus en wel in al de betekenis van het woord, zowel in het opschrift (Vers 1-3), waar hij vier malen, als ook in deze inleidende woorden (Vers 4-9), waar hij vijf maal voorkomt om onmiddellijk daarop (vers 10) voor de tiende maal weer te keren, de gemeente altijd weer voor de geest roept. Met de indruk, dat in een Christelijke gemeente Christus het één en het alles is, moet zij, die gevaar loopt het Christendom als een zaak te gaan behandelen van menselijk goedvinden, zich gereed maken de vermaningen, bestraffingen en leringen te vernemen.
Gods getrouwheid is niet de getrouwheid van een kortzichtig mens, die niet altijd doorziet wat hij belooft of aan wie hij belooft en die zeer vaak belooft zonder wijsheid of bedachtzaamheid. Maar het is de getrouwheid van de Alwetende, die ons geheel, die al onze behoeften kent, van de Alwijze, die weet wat er nodig is om ze te vervullen. Gods getrouwheid is niet de getrouwheid van een beperkt en afhankelijk schepsel, hoe hoog dan ook in aardse macht gestegen, die vaak meer belooft dan hij houden kan; maar het is de getrouwheid van de Almachtige, van Hem die spreekt en het is er, die gebiedt en het staat er. Gods getrouwheid is niet maar de getrouwheid van de strakke Onveranderlijkheid, van de koude Waarachtigheid, van de strikte Rechtvaardigheid, maar het is ook getrouwheid van de liefde, van de wijze, werkzame, alvermogende, voor en met haar schepselen levende en werkende liefde, van de goedertieren liefde, die haar lust heeft in beloven en vervullen, van de barmhartige liefde, die de ongelukkigste met haar schoonste beloften vertroost, van de genadige liefde, die door dit te zijn het hart van onwaardigen hoopt te veranderen, van de lankmoedige liefde, die met kleingevoeligheid en wantrouwen geduld heeft, opdat zij ze overwint. Hoe groot is de rijkdom van beloften, door deze liefde over haar voorwerpen uitgestort; hoe kostelijk, hoe verscheiden. Hier zijn beloften voor de tijd en beloften voor de eeuwigheid; beloften voor de levensweg, beloften voor de weg ten leven, beloften voor hart en huis en nakroost en alle geslachten, beloften voor de dag van de druk, beloften voor de dag van de verzoeking, beloften voor het dal van de schaduwen van de dood, beloften van schuldvergiffenis, van verzoening, van rechtvaardigheid, van vrede met God, beloften van wedergeboorte en van vernieuwing, van heiliging van het hart, van voorlichting en geleide, van bewaring en loutering, beloften van een zalige eeuwigheid en van een eeuwige heerlijkheid, beloften van de overwinning van de wereld, van de medewerking aller dingen ten goede, van de blijvende gemeenschap van God en van een toekomstige aanschouwing van God, beloften van de hulp van een genade, die tot alles en onder alles genoeg zal zijn en van de genietingen van een liefde, waarvan niets scheiden zal. En te weten dat God getrouw is, overtuigd te zijn dat al deze beloften de ene na de andere vervuld, zeker vervuld, volkomen vervuld zullen worden. O onuitsprekelijke bron van vertroosting, van Gods getrouwheid overtuigd te zijn. Het is bij de ondervinding van de wisselvalligheid van het lot, van de ontrouw van de mensen en van de teleurstellingen, waaraan een vals vertrouwen op het goed van de wereld blootstaat; het is temidden van dat alles, verzekerd te zijn van de liefde van een hart, dat ons zijn trouw ook door het toelaten en beschikken van deze ondervindingen bewijst en des te dierbaarder maakt. Het is op de donkerste wegen, in de treurigste verlatenheid, in de hooggaandste benauwdheid te rekenen op trouwe ogen, die ons overal gadeslaan, die ons overal bewaken; op trouwe oren, altijd open voor ons geroep, altijd horend naar ons geschrei; op een trouwe hand, die machtig is alles te veranderen, die in zes benauwdheden helpt en de zevende verbiedt tot ons te genaken. Het is bij het ontvallen, het ontzinken, het ontberen van alle andere levensvreugd, te leven bij de woorden van de belofte, die uit de mond van God uitgaan: God is getrouw! Zich dit te herinneren op de weg ten leven bij het eerste zwakke begin, de geringheid van de vorderingen, de moeilijkheid van de verharding, de vele verzoekingen, het herhaalde zwijgen, de gedurige ontrouw en het toenemend wantrouwen aan eigen kracht; het is weer een moed te grijpen, het is zich te sterken met de gedachte aan een liefde, die niet laat varen de werken van haar handen, die ons niet verwerpt om het glibberen van onze voet, die door onze ontrouw niet ontrouw wordt, die zichzelf niet verloochenen kan en die het voor ons zal voleinden.
B. Hierop wendt de apostel zich in het eerste deel van de brief tot bestraffing van die verkeerdheden, die bij de Corinthische gemeente bestaan en die hem uit eigen ervaring of door mondelinge mededeling bekend geworden zijn (Vers 10. Hoofdstuk 6:20).
I. In Vers 10-Hoofdstuk 4:21 spreekt hij eerst over de partijen, die in de gemeente zijn gekomen. Hij wijst op Christus als het enige middelpunt van het geloof en verdedigt tegenover de beschuldigingen van de partij van Apollos zijn kunsteloze manier van evangelieprediking. a. Vers 10-31. Door een vermaning tot eenheid in belijdenis en een waarschuwing tegen partijschappen vooraf te laten gaan, baant zich Paulus de weg om mee te delen hoe hem bekend is, dat in Corinthiërs vier fracties bestaan, die van Paulus, van Apollos, van Céfas en van Christus (Vers 10-12). Hij trekt eerst te velde tegen degene, die zich naar zijn naam noemt. Zoals in het algemeen alle partijschap een gezond Christelijk bewustzijn tegenspreekt, dat alleen weet van de Ene, ongedeelde, allen gemeenschappelijk toebehorende en alles door de band van de gemeenschap verenigende Christus, zo is het ook zeker dwaasheid zich te noemen naar een bijzonderen apostel, al is die ook de stichter van de gemeente en haar geestelijke vader. Daardoor wordt aan Christus de eer ontnomen, die Hem toekomt en de doop in diens naam achtergesteld. Daartoe heeft Paulus des te minder aanleiding gegeven, naarmate hij zelf minder de doop heeft bediend (Vers 13-16). Terwijl de apostel er grote betekenis aan hecht, dat het prediken van het Evangelie zijn eigenlijke roeping is en daarbij aanmerkt, op welke manier hij dat moet doen, brengt hij de strijd nu over tot de tweede fractie, die Apollos tot haar schulddrager gemaakt heeft. Bij haar komt het meest de eigenaardig Griekse geest tot uitdrukking, die op schoonheid van vorm en glans van wijsheid doelt, waarom de verdere uiteenzetting nu bijzonder op het oog heeft om menselijke liefhebberij en menselijke wijsheid te doen kennen als door God geoordeeld, sinds Hij in Christus Jezus Zijn rijk heeft opgericht (Vers 17-31).