1 Corinthiërs 8:1-3
De apostel komt thans tot het vraagstuk omtrent het eten van hetgeen den afgoden geofferd is, op welk punt sommigen inlichting verlang- den, een geval, dat in dien tijd dikwijls voorkwam, toen de kerk van Christus onder de heidenen verkeerde en het Israël Gods onder de Kanaänieten moest leven. Om dat beter te verstaan moet men in het oog houden, dat de heidenen de gewoonte hadden van hun offeranden feesten te maken, en daar niet alleen zelf te eten maar ook hun vrienden nodigden. Deze werden gewoonlijk in den tempel gegeven, waar de offerande gebracht was, vers 10, en indien er aan het eind van het feest iets overgebleven was, werd gewoonlijk een deel daarvan aan de vrienden gebracht, terwijl het overige aan de priesters kwam, die het soms op de markt verkochten, Hoofdstuk 10:25. Zelfs werden, naar ons door Athenaeus gemeld wordt, de feesten door de heidenen onder de gewijde en godsdienstige dingen gerekend, zodat zij gewoon waren voor al hun feesten te offeren, en zij hielden het voor ongepast, ook zelfs bij hun gewone maaltijden iets te nuttigen, waarvan ze op die wijze niet vooraf een gedeelte geofferd hadden. In die omstandigheden, terwijl de Christenen midden onder de heidenen leefden, had menig hunner daaronder betrekkingen en vrienden, met welken zij vriendschap en goede nabuurschap moesten onderhouden, waardoor ze meermalen bij hen tafelen moesten. Wat moesten ze nu doen wanneer hun iets wat den afgoden geofferd was voorgediend werd? Hoe hadden zij te handelen wanneer ze in een der tempels op een feest genodigd waren? Het schijnt dat sommige Corinthiërs ook het laatste zelfs voor geoorloofd hielden, omdat ze wel wisten dat een afgod niets was in de wereld, vers 4. Op die vraag schijnt de apostel meer bepaald te antwoorden in Hoofdstuk 10, hier waarschuwt hij, in de onderstelling dat hun overtuiging de ware is, om hun vrijheid niet aan te wenden tot versterking van het vooroordeel der anderen, maar in Hoofdstuk 10 veroordeelt hij die vrijheid rondweg. De apostel opent zijn betoog met enige aanmerkingen, die een afkeuring van zulke voorwendsels van kennis schijnen te bevatten als ik heb vermeld. Wij weten, zegt de apostel, dat wij al tezamen kennis hebben, vers 1, als wilde hij zeggen: Gij, die u deze vrijheid neemt, zijt niet de enigen die kennis hebt, wij, die ons onthouden, weten evenveel van de ijdelheid en afgoden en dat zij niets zijn, maar wij weten ook dat de vrijheid, die gij neemt, zeer schuldig is en dat zelfs geoorloofde vrijheid moet gebruikt worden met liefde en niet ten nadele der broederen. De kennis maakt opgeblazen maar de liefde sticht, vers 1.
1. De voortreffelijkheid der liefde boven ingebeelde kennis. Dát is het beste wat het meeste goeddoet. Kennis, of tenminste de sterke verbeelding ervan, is zeer geschikt om den geest opgeblazen te maken en met wind te vullen. Dit doet ons geen goed en is gewoonlijk beledigend voor onze naasten. Maar ware liefde en tedere oplettendheid voor onze broederen zal ons nopen tot het letten op hun belangen en doen handelen tot hun stichting. Merk op:
2. Er is geen beter bewijs voor onwetendheid dan de inbeelding dat men kennis heeft.
Zo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend gelijk men behoort te kennen, vers 2. Hij, die de meeste kennis heeft, kent het best zijn eigen onwetendheid en de onvolmaaktheid van alle menselijke wetenschap. Hij, die zich verbeeldt een man van grote kennis te zijn en op die inbeelding trots en ijdel is, geeft alle aanleiding tot de verdenking, dat hij niets goed weet, niets kent gelijk men behoort te kennen. Het is een ding de waarheid te kennen, maar een ander ding haar te kennen zoals het behoort en zoals ze onze kennis kan verbeteren. En zij, die denken dat ze kennis hebben en daar verwaand door worden, zijn van alle mensen degenen, die `t meest gevaar lopen geen goed gebruik van hun kennis te maken, zomin voor zich zelven als tot welzijn van anderen. De apostel voegt er bij: Maar zo iemand God liefheeft, die is van hem gekend, vers 3. Zo iemand God liefheeft en daardoor bewogen wordt tot liefde voor zijn broederen, die is van God gekend, dat is, gelijk sommigen willen, die is in staat gesteld Hem te kennen, is onderwezen door God. Zij die God liefhebben, bezitten de grootste gelegenheid om door God onderwezen te worden, en Hem te leren kennen gelijk nodig is. Anderen verstaan hierdoor: Hij zal Gods goedkeuring wegdragen, die hem zal aannemen en behagen in hem hebben. De man die liefheeft zal het meest in Gods gunst delen. Zij, die God liefhebben en om Zijnentwil de broederen liefhebben en hun welzijn zoeken, zullen meest door God bemind worden, en hoeveel beter is het door God goedgekeurd te worden dan een ijdelen goeden dunk van zich zelven te hebben!