1 Corinthiërs 5:9-13
Hier vermaant de apostel hen om den omgang en het gezelschap van dezen overtreder te mijden. Zie:
I. De raad zelf: Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders, vers 9. Sommigen denken dat hier sprake is van een brief van den apostel, die verloren gegaan is. Toch hebben we daarbij niets verloren. De gehele Christelijke openbaring is vervat in de boeken, die tot ons gekomen zijn, welke alle door God bestemd waren voor het algemeen gebruik der Christenen, anders had Hij in Zijne voorzienigheid meer geschriften van de geïnspireerde mannen voor ons kunnen doen bewaard blijven. Sommigen denken dat men er dezen brief onder verstaan moet, en dat hij dezen raad geschreven had alvorens hij volkomen kennis van het gehele geval gekregen had, en het nu noodzakelijk achtte meer in bijzonderheden te treden. En daarom zegt hij hun thans, dat wanneer iemand een broeder genaamd wordt en belijdenis van het Christelijk geloof gedaan heeft, en lid ener Christelijke gemeente is, en openbaar wordt als een hoereerder, of gierigaard, of afgodendienaar, of lasteraar, of dronkaard, dat ze dan zich niet met hem moeten vermengen of met hem eten. Zij moesten alle gemeenzaamheid met hem vermijden, zich niet met hem vermengen, maar- ten einde hem te beschamen en tot inkeer te brengen-hem ontwijken en schuwen. De Christenen moeten vermijden den omgang met medeleden, die openbaar slecht zijn en onder rechtvaardigen ban om hun goddeloze daden. Dezulken onteren den Christennaam. Zij mogen zich zelven broeders in Christus noemen, maar ze zijn geen Christelijke broeders. Zij zijn alleen goed gezelschap voor hun broeders in de onreinheid, en moeten aan dezulken overgelaten worden, tot tijd en wijle dat ze zich bekeren van hun wegen en handelingen.
II. Hij beperkt echter dezen raad. Hij verbiedt den Christenen gelijken omgang met schandelijk- slechte heidenen niet. Hij verbiedt hen niet te eten en om te gaan met de hoereerders dezer wereld. Die weten niet beter en belijden niet beter. De goden, welken zij vereren, en den dienst van menigeen dier goden laat zulke boosheid toe. Anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan, wanneer ge met zulke mensen geen omgang zoudt mogen hebben. Uw heidense medeburgers zijn over het algemeen goddeloos en onheilig, en het is onmogelijk zolang gij in de wereld zijt en wereldlijke beroepen hebt, niet met hen om te gaan. Zij kunnen niet geheel vermeden worden. De Christenen moeten en mogen meer achting betonen voor slechte heidenen dan voor slechte Christenen. Dat is een paradox. Waarom zouden wij den omgang met een onheiligen en slechten Christen meer vermijden dan met dergelijk een heiden?
III. Hier wordt de reden van deze beperking aangewezen. Het is onmogelijk hen te vermijden. De Christenen zouden de wereld moeten uitgaan indien ze den omgang met losbandige heidenen moesten vermijden. Maar dat is onmogelijk zolang de wereld het terrein van hun arbeid is. Terwijl zij hun plicht behartigen en hun werk doen, kan en wil God hen bewaren voor besmetting. Bovendien bezitten zij een verweermiddel tegen het slechte voorbeeld en zijn natuurlijk op hun hoede. Zij zijn geneigd om afschuw te hebben van de slechte daden. Maar de schrik voor de zonde slijt af in gemeenzamen omgang met slechte Christenen. Onze eigen veiligheid en bewaring zijn de redenen voor dit onderscheid. Maar bovendien: de heidenen staan niet onder het oordeel en den ban der Christenen, zij vermijden hun bestraffing, want zij zijn buiten, vers 12, en moeten overgelaten worden aan Gods oordeel, vers 13. Doch de leden der gemeente zijn binnen en door hun belijdenis gebonden aan de wetten en regelen van het Christendom, en niet slechts onderworpen aan het oordeel Gods, maar ook aan dat van hen, die over hen gesteld zijn, en van hun medeleden van hetzelfde lichaam, wanneer zij die regelen overtreden. Ieder Christen moet hen houden voor ongeschikt voor gemeenzamen omgang. Zij moeten bestraft worden, het stempel der ongenade moet hun ingedrukt worden, opdat zij beschaamd en zo mogelijk daardoor teruggebracht worden. En zulks te meer omdat hun zonden God meer onteren dan de zonden van openlijk-onheiligen en goddelozen kunnen doen. De gemeente is derhalve verplicht zich zelve van allen omgang met hen te vrijwaren, hen niet te verdragen, en getuigenis af te leggen tegen hun slecht gedrag. Ofschoon de gemeente niets te maken heeft met hen die buiten zijn, moet zij trachten zich zuiver te houden van de schuld en bestraffing van hen die binnen zijn.
IV. Hij wijst het middel daartoe in het onderhavige geval aan. En doet gij dezen bozen uit ulieden weg, vers 13. Sluit hem buiten uw gemeenschap en vermijdt den omgang met hen.