1 Corinthiërs 9:1-2
De gezegende Paulus ontmoette in het werk zijner bediening tegenstand niet alleen van hen die buiten waren, maar ook ontmoediging van hen die binnen waren. Hij werd verdacht, valse broederen betwistten zijn apostelschap en waren zeer werkzaam om zijn karakter te verlagen en zijn goeden naam te benadelen, vooral hier te Corinthe, de plaats waar God hem gebruikt had om zoveel goeds te doen en waar hij zoveel genegenheid verdiend had, en juist daar waren er velen, die hem in die opzichten zoveel moeiten veroorzaakten. Het is niets vreemds of nieuws voor dienaren om zeer onwelwillende bejegening te ondergaan in vergelding voor zeer veel bewezen goeds en voor ijverige en wèlgeslaagde diensten. Sommigen van de Corinthiërs betwistten zijn apostolisch karakter, indien ze het al niet ontkenden. Op hun betwisting antwoordt hij hier, en wel op deze wijze dat hij zich zelven aanhaalt als een merkwaardig voorbeeld van zelfverloochening ten nutte van anderen, gelijk hij hun in het vorige hoofdstuk aanbevolen had.
1. Hij houd staande zijn zending en karakter als apostel. Ben ik niet een apostel? Heb ik niet Jezus Christus onzen Heere gezien? Een der grote kentekenen van apostolische zending was het getuige zijn van Jezus' opstanding. "Nu'"zegt de apostel: "heb ik niet onzen Heere gezien, indien niet onmiddellijk na Zijne opstanding, dan toch na Zijne hemelvaart?" Zie Hoofdstuk 15:8. Ben ik niet vrij? Heb ik niet dezelfde opdracht, en macht, en bevoegdheid, als de andere apostelen? Op welken eerbied, verering of ondersteuning kunnen zij aanspraak maken, welke ik niet vrijheid heb ook voor mij te vragen? Het was niet omdat hij geen recht had van het Evangelie te leven, dat hij zich met eigen handen onderhield, maar om andere redenen
2. Hij geeft den uitslag van zijn bediening onder hen en het goede dat hij hun gedaan had, aan als bewijs voor zijn apostelschap. Zijt gijlieden niet mijn werk in den Heere? Voor den zegen van Christus op mijn werk, heb ik onder u ene gemeente gesticht. Het zegel mijns apostelschaps zijt gijlieden in den Heere. Uw bekering door mijn arbeid is een bevestiging Gods van mijne zending. Den dienaren van Christus moet het niet vreemd voorkomen zo ze op de proef gesteld worden door sommigen, die de echtheid van hun dienst, en hun macht en de tegenwoordigheid Gods daarin zelf ondervonden hebben.
3. Rechtvaardig verwijt hij den Corinthiërs hun oneerbiedigheid. Zo ik anderen geen apostel ben, nochtans ben ik het ulieden, vers 2. Ik heb zolang en met zoveel goed gevolg onder u gearbeid, dat gij, meer dan alle anderen, mijn karakter moest erkennen en eren, en het niet in twijfel trekken. Het is voor dienaren niets nieuws de slechtste behandeling te ontmoeten waar ze de beste bejegening verdienen. Deze gemeente te Corinthe had meer dan enige andere de grootste reden om te geloven en de kleinste reden om te betwijfelen zijn apostolische zending, zij hadden zoveel reden als, misschien meer dan, enige andere gemeente om hem eerbied te bewijzen. Hij was het werktuig geweest om hen te brengen tot de kennis van en het geloof in Christus, hij had lang-bijna twee jaren- onder hen gearbeid, en wel met veel zegen: God had veel volks in die stad, Handelingen 18:10, 11. Het was van deze mensen buitengemeen ondankbaar om zijn gezag in twijfel te trekken.