24. Hij, die u roept tot de gemeenschap van Zijn Zoon, tot Zijn rijk en Zijn heerlijkheid (
Hoofdstuk 2:12.
Galaten 5:8.
1 Corinthiërs 1:9 is getrouw (
1 Corinthiërs 10:13 Hebreeën 10:23.
2 Thessalonicenzen 3:3, die het ook overeenkomstig Zijn getrouwheid doen zal, wat ik hier als zegenbede hebuitgesproken, namelijk u onberispelijk bewaren in de toekomst van onze Heere Jezus Christus (
Psalm 22:32).
Tot hiertoe had Paulus het zijne gedaan door woord en voorbede, door onderzoek en het zenden van zodanige medearbeiders van de waarheid, die hun nuttig konden zijn. Zo heeft hij hen ook gedrongen om het hunne te doen door vermanen, vertroosten, toezicht houden op elkaar. Nu wendt hij zich tot Hem, van wie alle zegen moet komen: Maar Hij, Hij zal het doen en volbrengen. De mens kan niets zonder God, maar God wil ook niets zonder de mens en diens gehoorzaamheid van stap tot stap betoond. Aan het hoofd van zijn zegenwens noemt Paulus God de God van de vrede, omdat de zonde het wezen en de gemeenschap van de mens in disharmonie gebracht heeft en de vrede, die deze disharmonie opheft, Gods wil en gave is. "De God van de vrede zelf", zo schrijft de apostel: "heiligt u geheel en al", zodat niets in u overblijft, dat van die heiliging niet is aangedaan, "en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worden onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Heere Jezus Christus, d. i. in ongedeerde staat worden uw geest en uw ziel en uw lichaam bij de terugkomst van Christus of tot deze (Jakobus 5:5) bewaard. De wens van de apostel strekt zich dus daartoe uit, dat zij in de totaliteit van hun menselijk zijn zo bewaard blijven, dat zij, als de Heere Zich in Zijn heerlijkheid als Rechter zal openbaren, geen smet vindt. In "geest, ziel en lichaam" stelt hij het menselijk wezen in zijn geheel voor; hij denkt ook elk van de drie bestanddelen afzonderlijk, als in zichzelf weer uit meerdere delen bestaande, daar het "geheel" wel niet alleen op geest, maar ook op ziel en lichaam zal slaan.
De Schrift verdeelt hier de mens in drie delen. Het eerste deel, de geest is het hoogste, diepste, edelste deel van de mens, waardoor hij geschikt is onbegrijpelijke, onzichtbare, eeuwige dingen te bevatten; in het kort deze is het huis, waarin het geloof in het woord van God woont. Het tweede, de ziel, is dezelfde geest wat de natuur aangaat, maar toch in een andere werkzaamheid, namelijk daarin, dat zij het lichaam levend maakt en doortrekt. Deze wordt vaak in de Schrift voor het leven genomen, want de geest kan wel zonder het lichaam leven, maar het lichaam leeft niet zonder de geest. Wij zien hoe het ook in de slaap en zonder ophouden leeft en werkt en haar werk is niet de onbegrijpelijke dingen te bevatten, maar wat het verstand kan erkennen en omvatten. Is namelijk het verstand hier het licht in dit huis en regeert de geest niet met het geloof als met een hoger licht, dit licht van het verstand, dan kan het nooit zonder dwaling zijn, want het is te nietig voor goddelijke zaken. Het derde stuk is het lichaam met zijn leden. De werken daarvan zijn slechts oefeningen en bezigheden, naardat de ziel erkent en de geest gelooft. Dat wij het duidelijk maken met een gelijkenis uit de Schrift. Mozes maakte een tabernakel met drie verschillende gebouwen. Het eerste heette het Heilige der heilige, daarin woonde God en er was geen licht in, het tweede, het heilige, daarin stond een kandelaar met zeven armen en lampen, het derde heette voorhof; dit was onder de blote hemel, open voor het licht van de zon. Hierdoor is een Christenmens afgebeeld, zijn geest is het heilige der heilige, Gods woning, in duister geloof, zonder licht, want hij gelooft wat hij niet ziet, noch voelt, noch begrijpt. Zijn ziel is het heilige, door zijn zeven lichten, d. i. allerlei verstand, onderscheiding, wetenschap en kennis van lichamelijke, zichtbare zaken. Zijn lichaam is de voorhof; deze is voor ieder open, zodat men kan zien, wat de mens doet en hoe hij leeft.
Op vele plaatsen onderscheidt de Schrift alleen ziel en lichaam, of geest en lichaam, het geestelijke in de mens van het zinnelijke aan hem. Omdat wij evenwel naar geest en ziel onderscheiden worden, duidt de geest het hogere kunnen aan, waardoor de mens God kent en met Hem in gemeenschap treedt, datgene, wat hem boven een op zichzelf staand verlangen en willen en boven de natuur aan en rondom hem verheft en hem tot haar meester maakt. De ziel daarentegen is het zinnelijk waarnemende, gevoelende, strevende en begerende kunnen, dat in de mens de samenhang en het verband vormt tussen geest en lichaam. De ziel alleen verheft de mens nog niet boven de dieren. Door haar is hij veeleer een levend en bezield leider van de natuur. Ja, wanneer de geest van de mensen niet vervuld is van de Geest van God, maar als deze onderdrukt is door het vlees, dan is de mens een psychisch of natuurlijk mens ("1Co 2:14" en "1Co 15:4 De geest van de mensen wordt geheiligd en onstraffelijk bewaard wanneer Gods Geest die vervult en beheerst, wanneer hij als een reine spiegel Gods beeld terugkaatst. De ziel wordt geheiligd, wanneer de Godgewijde geest haar beheerst, wanneer al haar gewaarwordingen, al haar verlangen en streven, hoe noodzakelijk ook om het eigendommelijk leven in de mens te behouden, en daardoor op de wereld om hem heen invloed uit te oefenen, toch geheel aan God en de geest onderworpen worden. Het lichaam wordt geheiligd, wanneer zijn driften en behoeften van de geest door de ziel geregeerd en geregeld en zijn leden geheel en al tot werktuigen van de heiligheid gemaakt worden. Het zou kunnen schijnen alsof in de heiligheid van de geest de heiligheid van ziel en lichaam reeds besloten was, omdat toch de zonde van de mensen zich juist daarin openbaart, dat de geest, door zich los te maken van God, een knecht van het vlees geworden is en wanorde en stoornis in de menselijke natuur heeft teweeg gebracht. Maar het is van belang, dat ook de heiliging van ziel en van lichaam, zoals hier zo vaak elders (Romeinen 6:12, 13, 19. 2 Corinthiërs 7:1) vaak vermeld worden, ten einde voor de gevaarlijke dwaling te bewaren, als kon misschien de geest God dienen, terwijl de ziel en het lichaam in de dienst van de zonde volharden, tot welke afdwaling juist edele, maar nog niet van de zonde verloste, nog niet wedergeboren mensen het meest overhellen, wanneer zij zien hoe machteloos de natuurlijke opwelling van de geest is, om de lusten van het vlees te beteugelen. Is dus de geest echt geheiligd, woont Gods Geest in hem, dan zal door deze ook ziel en lichaam geheiligd worden, wanneer ook echt ziel en lichaam tempelen van de Heere worden. Ook op deze plaats richt de apostel het oog van de naar volkomen heiligheid worstelende Christenen op de dag van Christus' terugkomst. Zijn gericht moet ook de gelovige altoos voor ogen staan (2 Corinthiërs 5:10, 11) en voor deze rechterstoel, niet voor mensen, niet alleen voor het eigen geweten (1 Corinthiërs 4:3-5. Romeinen 9:1 v.) onstraffelijk bevonden te worden, moet het doel van al zijn streven zijn, anders sluit hij vrede met de zonde en gunt hij zich rust in de besmetting, die hem nog aankleeft.
De hemel is een plaats, waar wij nooit zullen zondigen, waar ons gestadig de wacht houden tegen een onvermoeide vijand zal eindigen, omdat er geen verleider zal zijn, om onze voet een strik te spannen. Daar houden de bozen op van beroering en daar rusten de vermoeiden van kracht. De hemel is de onbevlekte erfenis, het is het land van de volkomen heiligheid en daarom van de volkomen zekerheid. Maar smaken de gelovigen op aarde niet soms reeds de genietingen van een zalige zekerheid? Gods Woord leert ons dat allen, die met het Lam verbonden zijn, veilig zijn geborgen; dat de rechtvaardigen in hun weg bevestigd zullen worden; dat zij, die hun zielen aan de zorg van Christus toevertrouwd hebben, in Hem een getrouwe en onveranderlijken bewaarder zullen vinden. Door zulke verzekeringen ondersteund, kunnen wij zelfs op aarde zekerheid genieten; niet die hoge en heerlijke zekerheid, die ons voor elke wankeling behoedt, maar die heilige zekerheid, die volgt op de zekere beloften van Jezus, dat niemand van hen, die in Hem geloven, zal vergaan, maar dat zij met Hem zullen zijn, waar Hij is. Gelovigen, laat ons vaak overdenken en de getrouwheid van onze God verheerlijken door een heilig vertrouwen in Hem te stellen.
De mens ontving naar luid van de rijkste openbaring, ons in de Schrift gegeven een drievoudige bewerktuiging, om met even zo vele werelden in gemeenschap te treden. T. w. zijn lichaam, waardoor hij in gemeenschap is met het stoffelijke; dan zijn ziel, waardoor hij in gemeenschap staat met het onzichtbare; en eindelijk zijn geest, waardoor hij in gemeenschap treedt met de hoge geestenwereld, hetzij met God tot zijn behoudenis of met Satan tot zijn verderf. Dat de beide laatste, "ziel en geest", herhaaldelijk onder de één benaming van "ziel" worden samengevat, doet hierbij niets ter zake; mits men slechts klaar voor ogen houdt, dat een onwedergeborene zowel een "geest" heeft als een reeds bekeerde en geen voet aan de dwaling geeft, alsof pas door de wedergeboorte aan ziel en lichaam dat derde, de geest, zou worden toegevoegd. Deze drie: "geest, ziel en lichaam", zijn intussen niet de mens zelf; maar de drie verschillende organismen, die hij van zijn Schepper ontvangen heeft. U, uw persoon, uw ik, of hoe u het noemen wilt, heeft de beschikking over elk van deze drie ontvangen. Zij zijn dus van uzelf onderscheiden. Het zijn de instrumenten, waarvan u zich bedient, hetzij ten goede, als het naar Gods wil toegaat, hetzij ter verwoesting, als u ze misbruikt naar eigen willekeur. Aan elk van deze drie nu zijn voorts kunnen geschonken. Kunnen van tweeërlei aard, naar gelang ze dienen om iets, dat buiten u is, in u op te nemen, of op iets, dat buiten u is, invloed te oefenen. Om wat buiten u is in u op te nemen ontving uw lichaam de zintuigen, ontving uw ziel het verstand en het gevoel en uw geest het geloof. En omgekeerd, om op wat buiten u is, invloed te oefenen, schonk de Heer aan uw lichaam het kunnen om op allerlei manier fysieke kracht van zich te laten uitgaan; schonk Hij aan uw ziel de "wil"; aan uw geest "de liefde. " Werken nu al de raderen van dit kunstig raderwerk zoals het behoort, lopen ze naar Gods ordening en richten ze hun kracht op het juiste doel, dan is die geest in u, door een gestadig geloven, aldoor bezig kracht te ontvangen uit uw God en evenzo om door een gestadig lieven al wat u uit God ontving, naar die God weer in liefde, Hem ter eer, te doen uitgaan. Dan kent evenzo die ziel in u (aan die werkzaamheid van de geest ondergeschikt) geen andere bezigheid dan om door verstand en gevoel "de waarheid van de dingen" die buiten u zijn, te leren kennen, en door de wil liefde jegens de naaste te oefenen. En blijft er zo tenslotte voor uw lichaam geen andere dienst over, dan om door de zintuigen "onvervalste" indrukken op te vangen en door uw alzijdige lichaamskracht het stoffelijke in de dienst van de liefde te beheersen. Maar door de zonde is geheel dit raderwerk uit zijn voegen gelicht en wringen die raderen zich nu onderling in hun verkeerde loop stuk. De geest gelooft niet meer, wil niet meer ontvangen uit God, maar poogt te putten uit zichzelf, of leent er zich toe om voertuig te zijn voor Satan. En evenzo keert die geest in u zijn liefde van God af op uzelf en verspilt in zelfzucht doelloos zijn kracht. Dienovereenkomstig is het ook de ziel er nu niet meer om te doen, om door verstand en gevoel "de waarheid van de dingen" in zich op te nemen, maar om "een schijn" een valse onware voorstelling van de dingen te vestigen, zoals die zou moeten zijn om het ongeloof en de zelfzucht van uw geest te rechtvaardigen en spant zo ook de wil zich niet meer tot liefde voor de naaste, maar woelt ze machteloos om de ware toestand van de dingen naar valse voorstelling te vervormen. En zo ook dienen de zintuigen bij het lichaam niet meer om "zuivere indrukken" te ontvangen, maar om met onverzadelijk begeren dat zichtbare naar zich toe te zuigen; en wordt tenslotte de lichaamskracht aangewend niet om de wereld aan de dienst van de liefde te onderwerpen, maar om al wat is of komt, aan eigen lust op te offeren. En niet slechts dat in die voege "geest, ziel en lichaam" in verkeerde richting werken, maar ook het kunnen, die aan elk van die drie organismen geschonken waren, zijn door de zonde vervalst en werken nu verkeerd. Het geloofsorgaan weigert en de liefde wordt zelfzuchtig of zinnelijk; het verstand is verduisterd, het gevoel is verontreinigd en evenzo de wil machteloos geworden; ja zelfs de zintuigen hebben hun adel verloren en onze lichaamskracht is, onder de vloek, tot een schaduw verlaagd van wat zij eens was. Eindelijk, om er ook dit nog bij te voegen, naar de grondaanleg van de verschillende karakters van de mensen ziet u beurtelings de ene mens zijn geest, een tweede zijn ziel en een derde zijn lichaam tot hoofdzetel van zijn zondig drijven kiezen. Kiest hij het "lichaam" tot zetel van zijn zondig leven, dan verteert de zondaar in zinnelijkheid, verdierlijkt zich en komt om. Slaat hij meer in de "ziel" de tent voor zijn zonde op, dan vergaapt hij zich aan schijnkennis van wetenschap en eigengerechtige betrachting van deugd. En bouwt hij zich eindelijk de hut voor zijn "zondig ik", op de spits van de bergen, in de "geest", dan is de kanker van de hovaardij in hem gevaren; gaat hij naar de duivel aarden en lacht in zijn eigen verderf. Maar langs welke weg dit "dood zijn in zonden en misdaden" dit "vervreemd zijn van het leven van God" zich ook uit, steeds schift het gif van de zonde allereerst in ons ik, in onze "persoonlijkheid", in ons onnoembaar wezen en niet slechts in de drie instrumenten (lichaam, ziel en geest) die ons ten dienste zijn, of in het kunnen, dat aan deze instrumenten is verleend. Het kwaad tast wel terdege ook die instrumenten van "geest, ziel en lichaam" aan en ontreddert wel zeker ook dat kunnen. Maar bij beide is dit slechts een afgeleid verderf, d. w. z. een verderf, dat deels als uitvloeisel van ons zondig wezen, deels als straf voor onze zonden, uit ons verdorven ik, in die bewerktuiging en in dit kunnen indrong. Toch is de aldus neergeworpen zondaar allerminst een steen of blok. Integendeel, ook in die diepte van zijn ellendigheid blijft hij "mens. " Hij zou zelfs niet zo onuitsprekelijk ellendig zijn, als hij het niet bleef. En hetzij hij nu verloren blijft of gered wordt, zowel in die veroordeling als bij die redding, handelt God met hem op menselijke wijze, d. w. z. houdt de Heere rekening met de aard zo van zijn wezen als van die instrumenten en mogelijkheden, die de Heere hem als mens gegeven had. De overblijfsels, zoals onze belijdenis het noemt, van het beeld van God in Hem, handhaven ook in zijn verdorven staat zijn "menselijke" natuur als zodanig. Hierdoor is het karakter van Gods heilsopenbaring dan ook bepaald. Zowel van die historische openbaring, waarvan de afbeelding in de Heilige Schrift voor allen samen is neergelegd, als van die subjectieve, die bijzonderlijk plaats heeft in de ziel van de enkele. Gods openbaring aan "mensen" is een andere dan Zijn openbaring aan de "engelen"; en evenzo Zijn openbaring aan de "zondaar" is en moet een andere zijn dan Zijn openbaring in het paradijs was. Zo toch schikt de Heere in Zijn neerbuigende goedheid Zich naar de gesteldheid, waarin de zondaar thans feitelijk verkeert, dat zij altijd past op zijn toestand, hetzij om hem schuldig te stellen, omdat hij niet gelooft, hetzij om het innerlijk genadewerk tot bewustzijn te brengen, als het geloof in hem ontluikt. Er is in die openbaring op een bezoedeld lichaam, op een zichzelf behagende ziel, op een in hovaardij verteerde geest gerekend. Gerekend op verontreinigde en verzwakte zintuigen, op een verdoold denken, op een vervalste wil, op een verbijsterde liefde, op een geloofsschijn, die geen waarheid is. En gerekend bovenal op een zichzelf verafgodend eigen ik, dat achter dit gehele raderwerk wegschuilt en er zich de handen en de vingers aan stuk wrong. Tegenover deze openbaring in de Heilige Schrift staat de zondaar door eigen schuld dus in die voege, dat hij er wel door veroordeeld, maar er niet door gered kan worden, tenzij de Heere nog een tweede liefdesopenbaring aan de eerste toevoegt en hem nu ook persoonlijk begenadige in de ziel. Ja, zo diep en verschrikkelijk is de verdorven staat, waarin de zondaar zich door de zonde geworpen heeft, dat geheel het werk van de wedergeboorte en van de wederlevendmaking, zo in zijn "voorbereiding" als in zijn "uitvoering", alleen en uitsluitend van de Drie-enige God kan uitgaan. Er is geen voorbereidende genade van de kant van de mensen, maar alleen van Gods zijde en zelfs door die genade, die God almachtig voorbereidt, komt het nog nooit of zó ver, dat de zondaar, na afloop van die voorbereiding, het nu zelf wel af zou kunnen, maar blijft steeds en onveranderlijk het feit vaststaan, dat het, zonder enige de minste medewerking zijnerzijds, alleen Gods bovennatuurlijke inwerking door Woord en Geest is, waardoor hij van dood levend wordt. De zondaar is een zelfmoordenaar; hij heeft de hand aan zijn eigen leven geslagen; en omdat hij nu dood en van de dood is, al voelt u nog een tamelijke levenswarmte in hem nawerken, kan hij niet weer opleven dan door een wonderdaad van God. Al wie hierop afdingt of hieraan te kort doet, raakt in onverzoenlijke strijd met wat over de schrikkelijkheid van de zonde en het uit haar gif voorkomend bederf in de Schrift geopenbaard, door de consciëntie van de verlosten in het uur van hun verbrijzeling doorleefd is, en nog, bij dagen en bij nachten, in de afschuwwekkendste feiten gezien wordt. Noch de schuld van mensen, noch van die schuld het besef, noch voor die schuld de verantwoordelijkheid, noch over die schuld het berouw, mag, door wie ook, hiermee als weggecijferd worden beschouwd. Dit mag niet, omdat God de Heere ons het tegendeel in zijn heilig Woord als reëel openbaart. Mag niet, omdat deze feiten van God in de consciëntie even vast en onwrikbaar staan als alle overige daden van God in ons inwendig leven. En mag evenzeer niet, omdat èn in de vertwijfeling van de bij uitstek schuldigen, èn in de verbrijzeling van de kinderen van God, het feitelijk samengaan van de volslagen onmacht van de zondaars en het sterke werken van de consciëntie, onherroepelijk en op onloochenbare wijze blijkt. Immers dat wij met ons vervalst zintuig en ons ontspoord verstand de lijnen, waarlangs beide feiten in eenzelfde punt van Gods wondere glorie samenlopen, nu niet meer, of wilt u, nog niet, ten einde toe volgen kunnen, is hiermee zo weinig in tegenspraak, dat het er veeleer uit volgt. Was het anders, dan zou of het samenstel van ons wezen, of de inwerking van de zonde op dat samenstel, anders moeten zijn dan we, op grond van de Schrift en in overeenstemming met de belijdenis van de gezuiverde kerken, aangaven. Niet op ons, maar juist op de ondiepe geesten, die de alverwoestende werking van de zonde loochenen, rust dan ook de onmogelijke plicht om reeds in deze nevelen de zuivere harmonie aan te tonen tussen wat in ons omgaat en van Godswege aan ons geschiedt. Wij voor ons kunnen slechts weergeven wat en zoals God het in zijn Woord ons gaf; geheel afgezien van de vraag of we er tevens in slagen het in zo'n orde samen te leggen, dat wij zien dat het past. En dan houdt men, op het stuk van de redding van de zondaars, van meer af steeds en gelijkelijk deze twee vast: ten eerste, God de Heere maakt door de wedergeboorte, dat de zondaar het kunnen terug verlangt om te geloven; en ten andere, Hij brengt hem door de daad van de wedergeboorte nieuw, zelfstandig, geïsoleerd leven, maar in levensgemeenschap met de Christus. "Gerechtvaardigd door het geloof in de Borg! " is daarom ook de enige formule, waarin de verbrijzelde zondaar ooit rust vond. Niet "leven", niet "kracht" maar geloof en dat geloof, voor wat het kunnen doen en de wil ertoe aangaat een gave van God: ziedaar het middel ter behoudenis, maar om dan ook door dat geloof in een wondere, verborgene, onbeschrijfelijke gemeenschap te treden met het "leven" en de "kracht" van de Middelaar. "Wat moet ik doen om zalig te worden? " is de vraag van de bangsten van ziel, waarop nooit een ander antwoord volgen mag dan het levensrefrein, dat in een enkel akkoord zo heerlijk deze beide factoren ineen doet vloeien: Geloof, ja, maar nee dat is niet genoeg, "geloof in de Heere Jezus Christus! " Hiermee is uitgesproken, dat ook een geredde in zichzelf niets is en blijft: dat zijn groeien in Christus wel een veranderde gesteldheid van zijn innerlijk raderwerk aanduidt, maar nooit met een gaandeweg vol worden van het eerste lege glas mag vergeleken; en dat de strijd tussen vlees en geest niet een strijd van `s mensen geest tegen zijn bloed of zijn lichaam is, maar integendeel de strijd van zijn nieuwe persoonlijkheid, die hij in Christus gewon, tegen de oude mens, die, in geest èn ziel èn lichaam huizend, in hem zelf eisen bleef tegen de Geest van zijn God. Het overbrengen van een ziel uit het onheilige in het heilige is een daad van God, die worstelend in zijn eeuwige verkiezing door Christus als de Middelaar heen gaat en in volstrekte zin beslist is op het ogenblik zelf, dat hij die "uit de dood tot het leven" overging, zich bewust wordt het eigendom van Christus te zijn. Is dit waar, dan begint de mens dus niet met niets, maar met alles. Hij is in de heilige levensbodem van de Zoon van God gezet, bezit dat heilige, dat in Christus is, van meer af in volstrekte zin. Niets komt erbij, niets wordt aan Hem toegevoegd. Het enig verschil tussen aanvang en voortgang bestaat eensdeels daarin, dat de gelovige zijn bezit, dat hij in Christus heeft, zich door steeds helderder geloof en steeds rijker levenservaring bewust wordt en dat anderdeels het kwade in hem al meer van dit heilig bezit wordt afgescheiden. En wierp men tegen, dat dusdoende "rechtvaardigmaking" en "heiligmaking" dreigen verward te worden, dan zou de voorstander van deze mening niet ten onrechte zich met het antwoord verweren, dat "rechtvaardigmaking" op de rechtsbetrekking, dus op de wil, heiligmaking daarentegen op het wezen ziet en we dus voor alle verwarring gevrijwaard blijven, zolang ons verstand gezond genoeg blijft om wil en wezen te onderscheiden. De vraag: "Wie de heiliging werkt? " moet in die zin beantwoord worden: dat de heiliging een daad van God is, die slechts door `s mensen daad heengevlochten en ermee samenstrengeld wordt, waar en voor zover de Drie-enige met de persoonlijkheid van de bekeerde in onmiddellijke gemeenschap treedt. Hieruit vloeit meteen voort, dat de "heiliging", die de geroepene afzondert van de wereld en uit de dood in het leven doet overgaan, in niets en in geen enkel opzicht daad van de mensen zijn kan. "Heiligen" zoals het in de Heilige Schrift verre het meest voorkomt, "heiligen" zoals het in zijn hoofdbetekenis de principiële afscheiding en afzondering aanduidt, waardoor de geroepenen van de Heere uit de vermenging met de wereld worden uitgenomen en overgezet op het heilig erf van Gods Koninkrijk, kan ook zelfs voor het geringste deel geen vrucht van `s mensen daad zijn, maar moet enig en alleen aan God als de Werker en Bewerker worden toegekend. "Heiligen" in deze eerste en meest zuivere betekenis, valt met bekering en wedergeboorte wel niet volstrekt samen, maar is er toch te nauw aan verwant, dan dat we ter verduidelijking beide benamingen niet een ogenblik verwisselen zouden. "Bekering" is het veranderen van levensrichting, "Wedergeboorte" het veranderen van levensaard, "Heiliging" het veranderen van levenssfeer, - maar hierin loopt elk van haar uit, dat ze al samen een nieuw leven aanduiden, slechts bezien van verschillende kant. Werking of meewerking zelfs van de mensen wordt hierdoor uit de aard van de zaak buitengesloten. Heeft eerst hij kracht en steunsel, die met zijn voet de heilige erve drukt, dan kan er aan geen beweging naar dit heilig terrein gedacht worden bij de zondaar, die van deze erfenis is afgesneden. Elk streven om de tegengestelde mening ingang te doen vinden, tast in zijn hartader het leven van de genade aan, heft de volstrekte scheiding tussen "zondig en heilig" op en moet, als zijn loop voleindigd is, in afval van de Christus van God de ijdelheid van zijn pogen bewenen. Men heeft dus elke zedelijke beweging van het hart, elke werking van het geweten, elke uitgang van de ziel naar iets hogers en beters, zo bij de onbekeerde als de nog niet bekeerde, als van het natuurlijk leven van de zonde afgescheiden te beschouwen, als iets dat geen vrucht of uitvloeisel is van de geboorte uit vlees, de mens dus niet als zijn eigen bezit toebehoort, maar slechts een werking in hem is van de Heilige, aan wie hij zich probeert te onttrekken en wiens genadige inwerking en beteugeling hij door door voor zich neemt, als zijn eigen daad aanziet en juist daardoor machteloos doet zijn. Leidt daarom, desniettegenstaande, deze werking van God niet slechts tot beteugeling, maar feitelijk tot voorbereiding en wordt deze voorbereiding tenslotte door het hoog aanbiddelijk feit van de wedergeboorte gekroond, dan is aan God uitsluitend de hulde hiervan toe te brengen, niet slechts in die zin, dat de eerste stoot tot levensbeweging van de Eeuwige uitging, maar zo zelfs, dat hij niet doorwerken kon, tenzij eerst het verzet van de kant van de mensen gebroken werd. Ongetwijfeld is deze tegenstelling onder het genadeverbond minder scherp dan daarbuiten, maar de volstrektheid van de onderscheiding wordt hierdoor in het minst niet verkort. Dit slechts is het onderscheid, dat het genadeverbond, vooral waar dit krachtig werkt, ons geboren doet worden in een deugdelijke kerk, geboren doet worden in een geheiligd gezin, ons van kindsbeen af doet opgroeien onder de uitstroming van de verrijzeniskrachten van de Heere, de insnijding van het heilige in ons onheilig reeds veel vroeger, soms reeds in de onbewuste kinderjaren begint en ons dus pas later, eerst van achteren, eerst vanuit het heilsleven de scherpe tegenstelling van dood en leven ervaren doet, waar ook onze ziel doorheen ging. Wij zijn dan als het kind, dat, nog aan de moederborst zijnde, in de reddingsboot van het wrak gered, of met de wieg uit de vlammen is gedragen en dus onbewust, half lachend - half spelend, uit de verslindende dood werd uitgerukt, maar niettemin even feitelijk, volstrekt en waarachtig uit het verderf behouden is als de volwassene, die als een waanzinnige voor de vensters van het brandend huis gekermd heeft en zijn leven lang nooit de zaligheid van die ladder, die hem eindelijk werd toegestoken en die reddende hand, die hem greep. Tenzij men dus de eeuwige verkiezing in een woordenspel doet ondergaan, de volstrekte verdorvenheid van onze natuur en daarmee de volstrektheid van de zonde loochent; tenzij men van "heilig" sprekend slechts een minder zondig op het oog heeft en, van wedergeboorte gewagend, slechts een krachtdadige verbetering van zin en leven bedoelt, kan hierover geen twijfel bestaan, dat naar het woord, dat we boven dit artikel schreven, "de geroepenen van de Heere door God de Vader geheiligd zijn. " De tegenwerping, die zich tenslotte nog zou doen horen, dat toch in de dagen van het Oude Verbond de stem van God tot Israël en zijn priesters uitging: Heiligt uzelf, werpt hiertegen niet het minste zekert in de schaal, als men slechts scherp en juist tussen de daad van heiliging en haar symbolische voorstelling onderscheidt. Ook op de vraag: wie werkte in Israël de heiliging? moet zonder enig bedenken geantwoord: de Heer. De zinnebeeldige afspiegelingen daarentegen van deze daad: de tijding door zalving, afwassing en besprenging, die niet het heilsfeit zelf, maar slechts een heilsteken was, werd van Godswege de mens zelf bevolen, zonder dat hierdoor ook maar iets, of het minste aan de volstrektheid van Gods genade ontnomen werd. Juist het teken van de heiliging toont, dat de daad van de heiliging niet de onze is. Beslist wordt ons inzicht in het feit van de "heiliging" pas dan, als aan de hand van Gods Woord het antwoord op de vraag is gevonden: "wie is het, die de heiliging werkt? Een vage, algemene verklaring, dat God, die alle dingen wrocht en als aller goede Fontein wordt aangebeden, dus ook de Oorzaak, Werker en Voleinder van de "heiliging" is, baat ons hiertoe, ten spijt van haar schijnbare volstrektheid, niets. De vluchtige herinnering aan veler moderne stelling, dat, juist omdat God alle dingen werkt, nooit van een vinger van God in de geschiedenis gesproken mag worden, is voor de onvruchtbaarheid van zo'n grif gegeven toestemming voldingend bewijs. Zij kan ons niet verder brengen. Allereerst, omdat zij een gevolgtrekking is door ons denken gemaakt en zichzelf dus in abstracties vervluchtigt. Wie aldus spreekt, doet de dingen van het eeuwige leven om de scharnier van een sluitrede wentelen. Niet uit de levende God, maar uit een afgetrokken Godsbegrip komt hij tot zijn slotsom. Hij stelt vast, dat met het begrip van God tevens is uitgesproken, dat aller dingen oorzaak in Hem moet zijn. Zo alle dingen - dus spint zijn redenering zich voort - dan niet slechts de zichtbare, aardse, lichamelijke, maar ook de werkingen in onze geest. Staat het nu eenmaal vast, dat onder die geestelijke werkingen ook de "heiliging" een plaats bekleedt, dan hoeft hij die drie geledingen slechts door de scharnieren van het logisch denken tot een sluitrede ineen te zetten en de slotsom is vanzelf gevonden: dat daarom ook de heiligmaking een werk van God is te achten. - Met zo'n arbeid van het verstand, met zo'n spel van begrippen, vorderen we geen haar breed. Zo kan men oordelen en nochtans van alle godsvrucht verstoken zijn. Daarbij komt, dat er geen bedenkelijker woord in de godsdienst is, dan het woordje "alles. " Het klinkt vreemd, maar toch is het waar: dat woordje "alles" wordt dan veelzins gelijkluidend met "niets. " Het verfoeilijk pantheïsme schijnt een diep godsdienstige richting, omdat zij als randschrift om haar schild de belijdenis draagt: God is alles, en toch weet elk, die deze richting van nabij heeft gadegeslagen, dat zij op volstrekte loochening van Gods bestaan en werken uitloopt. Vanwaar dit komt, valt makkelijk in te zien. Ons leven viel nu eenmaal in een wereld, waarin we dieren en mensen om ons bespeuren, die elk in hun levenskring handelen, arbeiden en een werking van zich laten uitgaan. Bij juister kennis van de natuur bespeuren we zelfs, dat deze werking niet eens tot de dieren- en mensenwereld beperkt is, maar dat ook het water, ook de gistende krachten van de natuur een werking in het leven roepen. Weet ik dus enerzijds dat er allerwegen werkingen van het schepsel uitgaan en stel ik daarnaast, onverklaard en onverzoend, de erkentenis, "dat God alle dingen werkt", dan wordt hier stilzwijgend bij verstaan "mits door het schepsel. " Alle onmiddellijke werking van God op de wereld om of in ons wordt dan, terwille van die bijvoeging, geloochend en voor zover de werking van de Almachtige door middel van het schepsel gaat, is de daad van het schepsel, als het meest tastbare en zichtbare, zo het één en enige, dat hart en zinnen inneemt, dat de hand van de grote van God achter dat gordijn van menselijke werkzaamheid volstrekt onzichtbaar wordt, feitelijk dus voor "niets" in rekening komt en zich op de achtergrond van de dingen geheel in het ongrijpbare en onbekende verliest. Tenzij het dus ons doel kon zijn, om de almachtige Schepper van hemel en aarde, onder schijn van overvloedige eerbieding, uit het werkelijk leven geheel terug te dringen, mag ik nooit met de belijdenis "God alles" beginnen, maar moet dit de slotsom zijn, waartoe ik door levenservaring kom. Zeg ik vooruit "God alles", dan heb ik een begrip, dan is dat "alles" niets dan een kleurloos woord, een holle klank, een lege term zonder inhoud, omdat ik niet weet wat in dat "alles" besloten ligt. Begin ik daarentegen met het enkele, het kleine, het geringe. Bespeur ik een vinger van God in de straks vergetende, door de wereld niet bespeurde, schijnbaar onbeduidende schikkingen en voegingen van mijn eigen levenslot. Vermenigvuldigen zich in mijn levensgang die voor mij onmiskenbare tekenen van Gods daad en werk; breidt die tedere zorg van God zich voor mijn geestblik al breder uit door de ervaringen van anderer leven, die van lieverlee naast mijn eigen ondervinding te staan komen; en gaat dan daarna gaandeweg mijn oog open voor "de arm van de Heere", die niet slechts deze enkele voorvallen in de beperkte levenskring van de enkele mens regelt, maar ook aller samenvoeging leidt en even machtig spreekt in het wisselend lot van families en geslachten, van volkeren en natiën, ja, in geheel die duizelingwekkende dooreenstrengeling van lief en leed, van deugd en zonde, van peinzen en beramen, van daad en woord, van gaan en komen, waaraan we de naam van "geschiedenis" lenen, - dan begin ik ten minste een stukje te doorzien van wat in dat "alles" besloten ligt, dan heeft voor het minst een deel van dat "alles" mij in leesbaar schrift de grootheid van de Eeuwige vertolkt; en ontsluit zich hiermee ook voor mijn geestblik het mysterie van Gods Woord, om mij de samenvatting van "alle dingen" in en door en onder de Christus te tonen, zeker, dan komt ook mijn ziel er ten leste toe, om het "God alles" met kinderlijke eerbied te stamelen, maar voor een zinledige begripsvorm heb ik dan een persende volheid, waarin het eindeloos vele zich verdringt. Dit moest hier vooral met kracht op de voorgrond worden gesteld, omdat nergens zozeer als bij de "heiliging" de weg tot zelfmisleiding openstaat en de tederste snaar van het godsdienstige leven door niets zozeer als door misverstaan en ontheiliging wordt vervalst. Treed ik een ogenblik uit de intieme, bijzondere gangen van mijn eigen leven terug, om mij de heiliging van het schepsel in zijn samenhang als één groot en aanbiddelijk geheel voor te stellen, dan kan het niet in de ziel opkomen, ook maar één ogenblik aan een andere oorsprong voor dat volheerlijk werk te denken, dan God. Evenzo, waar ik de roerselen van de ziel mij in stilstand denk, voor het leven van de praktijk de ogen sluit en uit de verwikkeling en bedrijvigheid van al het zichtbare in het mysterie van het gebed mij terugtrek, is in het biddend hart de aarzeling volstrekt ondenkbaar, of het al dan niet in zijn bede om heiligheid de eer zal geven aan zijn God. Wordt dus buiten de werkelijkheid van het leven om, in godsdienstig gepeins of in Schriftbeschouwing zoals hier, de vraag opgeworpen: "Wie de heiliging werkt? " dan is aller gereedheid ontwijfelbaar, om met een vingerwijzing naar de Hoge te antwoorden, maar is het even onweersprekelijk, dat hiermee voor de innerlijke waarheid van de zielservaring nog niets is gezegd. Een eenvoudig beroep op uitspraken van de Schrift laat ons hier even verlegen. Zolang men op schijnbaar geheel tegenstrijdige en elkaar weersprekende uitspraken stuit; enerzijds hoort: "Ik ben de Heere, die u heiligt" en anderzijds het bevel verneemt: "Hoor mij, o Levieten! heilig nu zichzelf! " of ook op de bladzijden van het Nieuwe Verbond naast de bede: "de God van de vrede heilige u geheel en al", het vermaan vindt uitgesproken: "laat ons onszelf reinigen van alle besmetting van de vlees en van de geest, voleindigende de heiligmaking in de vrees van God! " zo lang, om hierin geheel de tegenstelling samen te vatten, zonder oplossing in hogere eenheid, onverzoend en onvereffend, door de Heilige Schrift twee tegengestelde reeksen lopen, waarvan de éne tot kenspreuk het opschrift draagt: "Wees heilig, want Ik ben heilig" en de andere aan de bede van de Zoon gekend wordt: "Vader, heilig U ze in uw waarheid! " kan een beroep op deze uiteenlopende getuigenissen ons niet verder brengen en is slechts een spelen met de Schrift denkbaar, waarbij beurtelings elk van de strijders zich uit het Schriftwoord een lauwerkrans vlecht, waarmee hij zich als overwinnaar tooit. Wel diende dan te worden toegegeven, dat de Schriftplaatsen, die op God als Bewerker van de "heiliging" wijzen, tien zijn, tegen de woorden van vermaan tot eigen "heiliging" één, maar tenzij men de meerderheidstaktiek ook op de Schrift wilde toepassen, is hiermee voor de oplossing van het vraagstuk nog volstrekt niets gewonnen, omdat niemand aan de Schrift een tittel of jota mag afdoen, veel min er dus die enkele plaatsen uit mag wegdenken, waarin de eis tot "heiliging" onmiddellijk uitgaat tot de mens. Het weer opvatten van de historische lijn is ook hier het enig redmiddel. Diezelfde vragen, die onze tijd en ons hart bewegen, hebben in al haar wichtigheid ook voor het zielsoog van onze vaderen gestaan. De vorm moge zekerend zijn, de kern van de zaak is één. "Niets nieuw onder de zon" geldt volstrekt en onvoorwaardelijk, waar de roerselen van het mensenhart ter sprake komen, want nu of vóór een drietal eeuwen, dat mensenhart is wat het was. Moedwillig stelt men zich dus aan het gevaar van dwaling bloot, als bij deze hartaangrijpende vraagstukken het licht van het verleden versmaadt, de ervaring van het voorgeslacht voor niets rekent en op de oceaan van het geestelijke leven alleen drijven wil naar eigen kompas. Men zondigt dan met gelijke zonde als de revolutie, die juist daarom tot eindeloos dolen gedoemd is, omdat ze altijd opnieuw beginnen wil, al wat voorafging wegwerpt en bij zichzelf de aanvang stelt van de enig goede weg. Men handelt dan even dwaas, als de reiziger op het Zwitsers Alpenland, die dolzinnig én Tschüdi's en Berlepsch' én Baedekers handboek wegwierp, in bluffende hoogmoed elke gids, die zich aanbood, afwees, met soevereine minachting zelfs de stem van de bergbevolking weigerde te horen en daarin zijn glorie stelde, om nu eens zelf, geheel alleen, op eigen ervaring afgaande, zo lang op de "gletsjers" te glijden, tot de misstap feit werd en de peilloze diepte zich ten graf voor hem ontsloot. Zo'n Alpenland toch is het hoog gebergte van Gods heiligheid voor de pelgrim op deze aarde. Ook op dat gebergte zijn sleuven en kloven, diepten en ongenaakbare plaatsen, onbeklimbare steilten en rotsspitsen, die de vermetelen onervaren pelgrim bedreigen met het ontzettendst gevaar. Maar ook dat gebergte is sinds eeuwen onderzocht, sinds eeuwen in zijn ligging en genaakbaarheid doorspeurd. Velen zijn uitgegleden, niet weinigen nooit teruggekeerd, een rotssteen van de ergernis, waaraan de bebloede ziel zich stuk stootte, is ook die "Berg van onze God" de onvoorzichtige, de roekeloze wager geweest. Maar toch het juiste bergpad is gevonden; jubelend zijn ze in de vlakte neergedaald, die al het heerlijke van die Berg van de heiligheid hadden ingedronken en wie Gods Engel bewaard had, dat ze hun voet niet stootten aan een steen. Deze, de pelgrims zonder rouwkoop hebben uitgesproken, wat ze ervoeren, ze hebben het bergpad, dat ten doel leidde, in kaart gebracht en ons voorgetekend, ze hebben de merkpalen ons met cijfers betekend, die voor afdoling konden vrijwaren en met dat lang verhaal van eigen ervaren ons een betrouwbare gids geboden voor de pelgrim, die in het gebergte van Gods heiligheid reist. Daarom kan niet veilig gaan, wie zich roekeloos op die spitsen waagt, zonder die gestorven of nog levende gidsen te ondervragen. Daarom kan de gemeente van Christus niet verder komen, als zij voor de manende, radende, waarschuwende stem van de gemeente van de vaderen moedwillig het oor sluit. Dan komen we niet verder. Dan blijven we in een cirkel lopen. Dan wacht ons al de arbeid, al de moeite, al de teleurstelling van de vaderen opnieuw. Daar komt bij, dat niet elk seizoen het onderzoek van een Alpenland begunstigt. Als het al met sneeuw bedekt, in nevelen gehuld en met neerhangend zwerk bedekt is, kan de loop van niet een enkel bergpad met juistheid worden bepaald. Wie dat doen wil, ga op uit het dal, als de wondere zon én sneeuw én wolk én nevel heeft weggetoverd en de kleinste kronkeling in het voetpad zich reeds van verre aan het oog ontdekt. Reeds begrijpt men, wat we hiermee bedoelen. In de eerste schone dagen van de hervorming was het zomerzoelte in de geestelijke dampkring, er was uitstraling van de Zonne der gerechtigheid, een doorbreken van glans en leven, zoals sinds door de gemeente niet is gekend. Nu daarentegen is het winter in het heilig gebergte, de nevelen, die ons omringen, zijn dikker, onheilspellender dan ooit. Roekelozer in nog hoger mate zou het daarom voor de pelgrims van het heden zijn, als ze de geestelijke ervaring van de vaderen, bij beter licht verworven, minachten en zelf zich een weg probeerden te banen door het verraderlijk veld van sneeuw. Niet dus om naar oude vormen te hunkeren, niet om een kopie van onze vaderen te zijn, veel minder nog om hun schoolse termen na te schrijven, maar om het behoud van de ziel, om niet van de Christus te vervreemden, om niet eens bedrogen uit te komen, worden we niet moe de gemeente toe te roepen: voordat u de alpenstok opneemt, pleeg met de ervaring van uw vaderen raad! Welnu, ook bij de ernstige vraag, die nu ons bezig houdt, zenden ze de vrager niet zonder antwoord heen. "De heiligmaking alleen voor de bondgenoten" en "bij Adam voor de val van heiligmaking geen sprake", dus luidt hun ietwat vreemde orakelspreuk. Zie verder 2 Koningen 7:1 en Hebreeën 12:16
Met dank voor God en Zijn verkiezing begon de apostel zijn eerste brief aan de Thessalonicenzen (Hoofdstuk 1:2 v.); met vertroosting over Zijn getrouwheid tot het einde sluit hij die.
D. Tenslotte vraagt de apostel nog om de voorbede van de gemeente voor zich en zijn medearbeiders, die hij in Hoofdstuk 1:1 genoemd heeft (Vers 25). Hij wenst, dat de voorstanders van de gemeente door wier bemiddeling de brief tot deze kwam, de groete van hem en van de zijn op de gewone manier aan ieder in het bijzonder zullen overbrengen (vers 26). Hij dringt er zeer nadrukkelijk op aan, dat allen in het bijzonder de openbare voorlezing van zijn brief bijwonen, waarbij hij ontegenzeglijk een heilige bedoeling heeft, tot zegen van de gemeente en haar voorstanders, omdat hij hen bij de Heere bezweert (Vers 27). Vervolgens voegt hij de gewone zegenwens erbij. (Vers 28).