1. En ik, broeders, toen ik gedurende anderhalf jaar bij u was (
Handelingen 18:11) en u, nadat u het geloof in Jezus Christus had aangenomen, in de Christelijke leer van de zaligheid nu verder onderwees (
Handelingen 2:42), kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.
Treurt u gelovige, omdat u zo zwak bent in het goddelijk leven, omdat uw geloof zo klein is, uw liefde zo gering. Heb goede moed, want u heeft reden van dankbaarheid. Bedenk dat u in sommige dingen gelijk staat met de verst gevorderde Christenen. U bent net als zij gekocht met het bloed van Jezus, God heeft u evenals elk ander gelovige als Zijn kind aangenomen. Een zuigeling is zowel het kind van zijn ouders als de volwassen man. U bent even volkomen gerechtvaardigd, want een rechtvaardigheid klimt niet bij trappen, uw kern van geloof heeft u geheel gereinigd, u heeft evenveel recht op de kostbare voorrechten van het verbond als de verst gevorderde Christenen, want uw recht op de verbondsgenade ligt niet in uw groei, maar in het verbond zelf en uw geloof in Jezus is niet de maat maar het bewijs van uwe erfenis in Hem. U bent zo rijk als de rijkste in de werkelijkheid bezit, al is het dat u er het genot niet van heeft. De kleinste ster, die blinkt staat toch aan de hemel, de geringste zonnestraal is toch verwant aan het grote licht van de dag. In het boek van het leven zijn de kleinen en de groten met dezelfde pen geschreven. U bent even dierbaar aan uw Vader als de grootste in het huisgezin. Jezus heeft u teder lief. U bent gelijk aan de rokende vlaswiek; een ruwere geest zou zeggen: blus die rokende vlaswiek uit, zij vervult de kamer met een onaangenamen reuk, maar Hij zal de rokende vlaswiek niet uitblussen. U bent gelijk aan het gekrookte riet, elke minder tedere hand dan die van de grote Meester, zou u vertreden of wegwerpen, maar Hij zal het gekrookte riet nooit verbreken. In plaats van u te laten ontmoedigen door hetgeen u bent, behoorde u in Christus te triomferen. Ben ik slechts een kleine in Israël, echter ben ik met Christus in de hemel gezet. Ben ik arm in geloof, toch ben ik in Christus een erfgenaam van alle dingen. Hoewel ik minder dan niets en aan de ijdelheid gelijk ben, toch, zo de wortel van de zaak in mij is, zal ik mij verblijden in de Heere en mij beroemen in de God van mijn heil.