2 Corinthiërs 2:1-4
In deze verzen:
1. Gaat de apostel voort met het opsommen der redenen, waarom hij niet naar Corinthe gekomen is, gelijk verwacht was, namelijk omdat hij bevreesd was hen te bedroeven of door hen bedroefd te worden, vers 1, 2. Hij had voorgenomen, dat hij niet wederom in droefheid tot hen komen zou, hetgeen het geval zou geweest zijn indien hij, komende, schandalen onder hen gevonden had, die niet behoorlijk bestraft werden. Dat zou een reden van droefheid geweest zijn, beiden voor hem en voor hen, want bij een ontmoeting zouden zowel vreugde als droefheid wederkerig zijn. Indien hij hen bedroefd had, dan zou dat voor hem zelven een oorzaak van droefheid zijn, want er zou niemand geweest zijn om hem blijde te maken. Maar zijn begeerte was een vriendelijke ontmoeting met hen te hebben, en hen niet verbitterd te zien door enige ongelukkige aanleiding of ontstemming.
2. Hij zegt hun, dat hij met datzelfde doel zijn eersten brief geschreven heeft, vers 3, 4.
A. Opdat hij komende, niet zou droefheid hebben van degenen, van welken hij verblijdmoest worden, en dat hij hun had geschreven in vertrouwen dat zij doen zouden hetgeen vereist werd tot hun voordeel en zijn vertroosting. Uit het volgende vers blijkt dat de bijzondere zaak, die hij bedoelt, die van den hoereerder was, over wie hij in den vorigen brief, Hoofdstuk 5, geschreven had. Ook was de apostel in deze verwachting niet teleurgesteld.
3. Hij verzekert hun, dat hij de bedoeling niet had hen te bedroeven, maar hun zijne liefde te bewijzen, en dat hij hun geschreven had in vele verdrukking en benauwdheid des harten, en met grote toegenegenheid voor hen. Hij had geschreven met vele tranen, opdat zij de liefde zouden verstaan, die hij overvloedig tot hen had.
A. Ook in bestraffingen, vermaningen en handelingen van tucht betonen getrouwe dienaren hun liefde.
B. Noodzakelijke tucht en de uitoefening daarvan tegen overtreders zijn een oorzaak van droefheid voor tederhartige dienaren en worden met droefheid toegepast.