11. Want mij is van u bekend gemaakt, over u ter ore gekomen, mijn broeders, door die van het huisgezin Chloë zijn (
Romeinen 16:10,
11), dat er twisten onder u zijn.
Nadat Paulus de gemeente van God te Corinthiërs heeft beschouwd, zoals zij in Jezus Christus was, richt hij nu de blik daarop, hoe zij de genade, haar gegeven, gebruikte en in het leven voor ogen stelde. Daar ziet hij veel treurigs, maar altijd houdt hij in het oog dat het broeders zijn, waartoe hij spreekt en daarom grijpt hij ze aan bij hun belijdenis van de Heere Jezus Christus, met het vertrouwen dat de getrouwe God ze niet zal laten loslaten, maar hen altijd meer geheel zal inleiden, ook door middel van deze brief, in de gemeenschap van Zijn Zoon, waartoe Hij ze geroepen heeft. In de brief aan de Romeinen volgt het: "Ik vermaan u, broeders! " eerst in het 12de hoofdstuk op de leer, hier staat het dadelijk aan het begin, onze brief van het begin kenmerkend als een brief van vermaning; slechts daarnaast, zegt Luther, maakt hij enkele uitstappen tot heilrijke lering.
Door middel van dezelfde naam, die hem van het voorafgaande af (Vers 1-9) in de oren klinkt, richt de apostel zijn vermaning tot de Corinthiërs. Deze naam moet aan de vermaning ingang verschaffen en nadruk verlenen. Zij moeten aan haar gehoor geven als aan een, die zich op die naam beroept. Want het is hier daarom te doen, dat allen die naam voor zich laten zijn, wat die voor de Christen moet zijn wanneer hij hen vermaant tezamen "hetzelfde te spreken". Zo zegt hij namelijk, ziende op de belijdenis alleen van de naam van Christus en niet, zoals in 2 Corinthiërs 13:11. Filippenzen 2:2 "eensgezind" te zijn, omdat hij zulke verdeeldheden in de gemeente moest berispen, die niet zozeer hun oorsprong hebben in uit elkaar lopende richtingen van het Christelijk leven, als wel in een onderscheiden, maar steeds tevens valse en zich steeds in verkeerde belijdenis openbarende verhouding tot menselijke persoonlijkheden. (V.).
Zo zijn dan ook de scheuringen, waarop hij wijst, geen scheuringen die op de leer betrekking hebben, maar scheuringen van de gemoederen, partijschappen, doordat men zich aan verschillende leraars aansloot en een andere manier volgde van de leer op te vatten en toe te passen. Het beweegt zich op ethisch, niet op kerkelijk gebied.
Wij zien in deze scheuringen, die de apostel afleidt van de hoogmoed en de te grote waardering van menselijke gaven en eigenaardigheden, de grote beweegbaarheid, de politieken partijgeest en de filosofische strijdlust van de Hellenen op Christelijken bodem verplant - een eigenaardigheid, die de Griekse kerk aan de ene kant in staat stelde om in de twisten van de eerste eeuwen over de leer een hoogst belangrijke rol te spelen, maar die aan de andere kant een van de hoofdoorzaken van haar later verval was.
De woorden "zin" en "gevoelen", waarvoor de apostel eenheid en gelijkheid vraagt, hebben daarop betrekking, dat men te Corinthiërs over belangrijke zaken verschillend dacht en ten gevolge van deze verschillende gedachten onderscheiden meningen en oordelen partijdig vormde en tegen elkaar verdedigde. In plaats daarvan nu moeten de Corinthiërs in Christelijk denken en oordeel en overeenstemmen, hun juiste verhouding moet in gelijk denken en gelijk menen zich openbaren. Van beide, van de Christelijke overeenstemming in gedachten en meningen, is de twist, in Vers 11 berispt, de openbaring van het tegendeel, zodat dus die gelijkheid volstrekt niet uitsluit het welwillend bespreken van afwijkende punten in denken en beoordelen, om tot beter verband en tot overeenstemming te komen, maar wel partijdigheid en vijandschap.
Of Chloë (d. i. de bloeiende), de vrouw, door wier huisgezin Paulus te Efeze het eerst bericht kreeg van de scheuringen te Corinthiërs, zelf te Corinthiërs leefde en de haren naar Efeze waren gekomen, of dat zij te Efeze woonde en de haren van een reis naar Corinthiërs waren teruggekeerd, is onzeker. Dat tot haar huisgezin zullen behoord hebben de mannen, in Hoofdstuk 16:17 genoemd, Fortunatus en Achaïcus, is in elk geval zeer onwaarschijnlijk.
Uit begeerte naar verbetering iets op een gepaste plaats mededelen, is geen zonde tegen het negende gebod. Men moet zich er echter voor hoeden, dat er niets buiten de waarheid aan wordt toegevoegd. Ook moeten leraars niet elk verhaal geloven, zij moeten eerst zeker van de zaak zijn, voordat zij iets in het openbaar bestraffen.