1 Koningen 2:1-11
David, die grote en Godvruchtige man, is hier een stervende, vers 1, en een gestorvene, vers 10. Het is goed dat er een leven is na dit leven, want de dood bezoedelt al de heerlijkheid van dit leven, en legt haar in het stof. Wij hebben hier:
I. De last en de instructies door David, toen hij stervende was, gegeven aan zijn zoon en erkende opvolger Salomo. Hij gevoelt zich verminderen, en aarzelt niet dit te erkennen, en hij is ook niet bevreesd om van sterven te horen, of er van te spreken. Ik ga heen in de weg van de gehele aarde, vers 2. In het Hebreeuws: ik wandel er in. De dood is een weg, niet alleen een einde van dit leven, maar een overgang tot een beter leven. Het is de weg van de gehele aarde, van geheel de mensheid, die er op woont en zelf aarde is, en daarom tot de aarde moet terugkeren. Zelfs de kinderen en erfgenamen des hemels moeten in de weg van de gehele aarde gaan, zij moeten sterven, maar zij wandelen met genoegen in die weg, "door het dal van de schaduw des doods," Psalm 23:4. Profeten, en zelfs koningen, moeten door die weg gaan, naar helderder licht dan profetie, en schitterender eer dan soevereiniteit. David gaat die weg, en daarom geeft hij aan Salomo aanwijzingen voor hetgeen hij te doen heeft.
A. Hij beveelt hem in het algemeen Gods geboden te houden en nauwgezet zijn plichten te vervullen, vers 2-4. Hij schrijft hem:
a. Een goede regel voor, waarnaar te handelen, namelijk de wil van God, "Richt u daarnaar." Davids last aan hem is: de wacht des Heren zijns Gods waar te nemen. Het gezag van een stervende vader is groot, maar niets in vergelijking met dat van de levende God. Er zijn grote belangen, die ons door de Here onze God worden toevertrouwd, laat ons die zorgvuldig behartigen, als degenen, die er rekenschap van zullen hebben af te leggen, en voortreffelijke inzettingen en rechten, waarnaar wij bestuurd moeten worden, laat ons die houden en waarnemen. Het geschreven woord is onze regel: Salomo zelf moet doen wat geschreven is in de wet van Mozes.
b. Een goede gezindheid in zijn handelingen: Wees sterk en wees een man, hoewel gij naar uw jaren nog een kind zijt. Zij, die de wacht des Heren huns Gods willen waarnemen, moeten zich gorden met vastberadenheid.
c. Goede redenen voor dit alles. Dit zal krachtdadig bevorderlijk zijn:
Ten eerste. Aan de voorspoed van zijn koninkrijk, het is het middel om voorspoedig te zijn in alles wat gij doet, met eer en voldoening wel te slagen in alles wat gij onderneemt.
Ten tweede. Tot de bestendiging er van, opdat de Here bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft. Zij, die de schat van de belofte recht waarderen, zullen er het erfrecht van willen behouden, en zeer begeren dat zij, die na hen komen, niets zullen doen om het te verbeuren. Laat ieder in zijn eigen leeftijd Gods wacht waarnemen, dan zal God niet in gebreke blijven om Zijn woord te bevestigen. Wij laten nooit de belofte vallen, eer wij het gebod hebben laten vallen. God had aan David beloofd dat de Messias uit zijn lenden zou voortkomen, en die belofte was volstrekt en onbepaald, maar de belofte dat er geen man afgesneden zal worden van de troon Israëls, was voorwaardelijk: indien zijn nakomelingen zich zullen gedragen, zoals zij zich behoren te gedragen. Indien Salomo in zijn dag de voorwaarde vervult, dan doet hij het zijne om de belofte te bestendigen. De voorwaarde is: dat hij wandelt voor Gods aangezicht in oprechtheid, met een vast voornemen des harten, en dat hij daarom zijn weg moet bewaren, er acht op moet geven. Om standvastig te zijn in de Godsdienst is niets meer noodzakelijk dan voorzichtigheid en omzichtigheid.
B. Hij geeft hem bevelen ten opzichte van sommige bijzondere personen, hoe met hen te handelen, teneinde zijn (Davids) tekortkomingen en gerechtigheid aan sommigen goed te maken, en in vriendelijkheid aan anderen.
a. Betreffende Joab, vers 5. David was zich nu bewust dat hij er niet wel aan gedaan heeft hem te sparen, toen hij zich eenmaal en nogmaals strafschuldig had gemaakt eerst door de moord op Abner, en later op Amasa, beide grote en aanzienlijke mannen, oversten van het heir Israëls. Hij heeft hen verraderlijk gedood, krijgsbloed vergoten in vrede, zeer ten nadele van David, gij weet wat hij mij hierin gedaan heeft. De moord op een onderdaan is een onrecht aan de vorst, het is een verlies voor hem, is tegen de vrede van onze soevereinen heer, de koning. Deze moorden waren inzonderheid tegen David, wierpen een vlek op zijn goede naam daar hij toen in onderhandeling met hen was brachten zijn belangen in gevaar, die de vermoorden zeer in staat waren te dienen. Magistraten zijn de bloedwrekers van hen, over wie zij gesteld zijn. Het verzwaarde Joabs misdaad dat hij zich noch geschaamd heeft over de zonde, noch bevreesd is geweest voor de straf maar op drieste wijze de gordel en de schoenen heeft gedragen, die met onschuldig bloed waren bevlekt, in bravering van de gerechtigheid, beide van God en de koning. David laat hem over aan Salomo's wijsheid, vers 6, met een aanduiding, dat hij hem overliet aan zijn gerechtigheid. Zeg niet: "hij heeft grauwe haren het is jammer om dat grijze hoofd af te houwen, want het zal weldra vanzelf vallen". Neen, laat het niet met vrede in het graf dalen. Hoewel hem een lang uitstel is verleend, zal ten laatste toch met hem afgerekend worden, de tijd wist de schuld niet uit van de zonde, inzonderheid niet van moord.
b. Betreffende Barzillai's geslacht: Hij beveelt hem vriendelijk voor hen te wezen om Barzillai's wil, die, naar wij kunnen onderstellen, toen reeds gestorven was, vers 7. Toen David op zijn sterfbed gedacht aan het kwaad, dat hem gedaan was, kon hij ook de weldadigheden niet vergeten, die hem betoond waren, maar belast er zijn zoon mee om er vergelding voor te doen. De weldaden, die wij van onze vrienden hebben ontvangen, moeten noch in hun noch in ons graf begraven worden, maar onze kinderen moeten ze aan hun kinderen vergelden. Daaraan heeft Salomo misschien die regel ontleend: "Verlaat uw vriend en de vriend uws vaders niet," Spreuken 27:10.
c. Betreffende Simeï, vers 8, 9.
Ten eerste. Zijn misdaad wordt herdacht: Hij vloekte mij met een geweldige vloek, te erger, omdat hij hem beledigde toen hij in de ellende was, en edik in zijn wonden goot. De Joden zeggen dat die vloek voor David zo bijzonder smartelijk was omdat hij hem, behalve nog al hetgeen in 2 Samuël 16 vermeld is, ook nog zijn afkomst van Ruth de Moabietische verweet.
Ten tweede. Zijn vergiffenis is niet vergeten. David erkent dat hij hem gezworen heeft, dat hijzelf hem niet ter dood zou laten brengen, omdat hij zich intijds had onderworpen, en "peccavi-ik heb gezondigd," had geroepen, en hij toen vooral het zwaard van de gerechtigheid niet gaarne wilde gebruiken om een hem persoonlijk aangedaan onrecht te wreken. Maar: Ten derde. Zijn zaak zoals die nu staat, wordt aan Salomo overgelaten, als die wist wat voegzaam was om gedaan te worden, en doen zou naar de gelegenheid het vereiste. David geeft hem te kennen, dat zijn vergiffenis niet voor altijd bedoeld was, maar dat hem slechts een uitstel gedurende Davids leven was verleend. Houd hem niet onschuldig, denkt niet dat hij een waar vriend is van u of van uw regering, dat hij betrouwbaar is, hij is thans niet minder boosaardig gezind, hoewel hij zijn boosaardigheid nu weet te verbergen. Nog altijd is hij een schuldenaar aan de openbare gerechtigheid voor hetgeen hij toen gedaan heeft. En hoewel ik hem beloofd heb dat ik hem niet ter dood zal laten brengen, heb ik hem dit niet voor mijn opvolger beloofd. Zijn woelziek karakter zal u spoedig aanleiding geven-en gij moet niet nalaten er gebruik van te maken-om zijn grauwe haar met bloed in het graf te doen dalen." Dit kwam bij David niet voort uit persoonlijke wraakzucht, maar uit voorzichtige ijver voor de eer van de regering en het verbond, dat God met zijn geslacht had aangegaan, de minachting waarvan niet ongestraft moest blijven. Zelfs een grauw hoofd behoort, als het een schuldig en verbeurd hoofd is, niet tegen de gerechtigheid te beschermen. "Een zondaar honderd jaar oud zijnde, zal vervloekt worden," Jesaja 65:20.
II. Davids dood en begrafenis, vers 10. Hij werd begraven in de stad Davids, niet in het graf zijns vaders, zoals Saul, maar in zijn eigen stad, die hij gesticht had. Daar werden de tronen, en daar werden de graven gesteld van het huis Davids. Nu "is David, als hij in zijn tijd de raad Gods gediend had, ontslapen en bij zijn vaderen gelegd, en heeft verderving gezien," Handelingen 13:36, en zie Handelingen 2:29. Zijn grafschrift kan genomen zijn van 2 Samuël 23:1. Hier ligt David, de zoon van Isai, de man, die hoog is opgericht, de gezalfde van de God Jakobs, en lieflijk in psalmen Israëls, hierbij voegende zijn eigen woorden: "Mijn vlees zal rusten in hope," Psalm 16:9. Josefus zegt dat behalve de gewone pracht, waarmee zijn zoon Salomo hem begroef, hij nog zeer veel geld in zijn graf heeft gelegd, en dat dertienhonderd jaren later (naar zijn berekening) Hyrkanus, de hogepriester, in de tijd van Antiochus het graf heeft geopend, en er drieduizend talenten uitgenomen heeft voor de openbare dienst. De jaren van zijn regering worden hier berekend in vers 11, als tezamen uitmakende veertig jaren, waarbij de zes maanden, die hij boven de zeven jaren te Hebron heeft geregeerd, niet geteld zijn, maar alleen de zeven jaren.