33. Ook stierf Eleazar, 1) de zoon van Aäron, die in de tijd van Jozua Hogepriester was; misschien stierf hij nog vroeger dan Jozua, en zij begroeven hem op de 2) heuvel van Pinehas, zijn zoon, die hem gegeven was geweest, door de kinderen van Israël tot een erfelijk bezit, op het gebergte van Efraïm; waarschijnlijk gewerd hem dit bijzonder erfgoed, als een blijk van openbare hulde voor alles, wat hij ten diepste voor het volk gedaan had.
1) Met de dood van Eleazar had het tijdperk van Jozua zijn einde bereikt, en daarom wordt ook nog diens dood bericht. Nu begint voor Israël het tijdperk, om als onder de onmiddellijke regering van God te leven, zonder in het bezit te zijn van één man, die de plaats van Mozes of Jozua inneemt. Israël moet nu leren op zichzelf te staan, en tonen, dat het een geheel ander geslacht is als dat van Sinaï, en dus geen behoefte heeft aan een zichtbaar opperhoofd..
2) Het woord "Gibea" (= heuvel) is in andere vertalingen onvertaald gebleven; "en zij begroeven hem te Gibea". Naar de meeste uitleggers moet hieronder verstaan worden het hedendaagse Dschibia, noordoostelijk van Gofna, maar volgens Keil de priesterstad Geba in de stam Benjamin (18:24; 21:17). Volgens de eerste opvatting zou men de stad, hoewel zij geen priester- of Levietenstad was, aan Pinehas geschonken hebben tot loon voor zijn bijzondere verdiensten jegens de gemeente (Numeri 25:7), om dan tevens de fungerende Hogepriester dichter bij het heiligdom te Silo te hebben; volgens de andere beschouwing daarentegen kon volgens de wet alleen die priesterstad aan Pinehas gegeven worden, en dit wel in zoverre, als de priester- en levietensteden slechts voor een zeker gedeelte de priesters en levieten toebehoorden (de benodigde woonhuizen en bepaalde afgemeten voorsteden), terwijl het overige gedeelte een eigendom was van de stam, waarin de stad lag. Dit gedeelte zou men dan tot loon aan Pinehas en zijn nakomelingen hebben kunnen geven, zodat hij tevens in de priesterstad privaatbezittingen had. Tegen deze tweede opvatting strijdt niet, dat Geba niet in Efraïm, maar in Benjamin lag, want zoals Keil terecht opmerkt, strekte "het gebergte van Efraïm" waarop het lag, zich ver uit in het gebied van Benjamin..
We voegen hierbij de drie gewichtigste gedeelten in het leven van Jozua volgens de tijdrekening:
Jozua's ambtsaanvaarding 1452 v.Chr. Einde van de veroveringsstrijd 1445 Jozua's dood 1435 Hierbij voegen wij al dadelijk een chronologisch overzicht van de hoofdgebeurtenissen vanaf de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypte tot Salomo's tempelbouw, die volgens 1 Kronieken 6:1 in het 480ste jaar na deze uittocht en in het 4de jaar van het koninkrijk van Salomo plaatsvond, om ons in het vervolg, bij het verklaren van de overige boeken daaraan te houden. Op deze wijze alleen zal men tot waar verstand kunnen geraken van de gebeurtenissen, vermeld in het Boek van de Richteren en in de beide boeken van Samuël tot 1 Koningen .6:1 vooral die vermeld zijn in de gedeelten van Richteren 10:1 tot 1 Samuël 12:25.
v. Chr. Geb. 1) 40 jaar: Israëls tocht door de woestijn 1492-1452 2) 7 jaar: Verovering van Kanaän door Jozua 1452-1445 3) 10 jaar: Verdeling van het land tot Jozua's dood 1445-1435 4) 13 jaar: De tijd van Jozua tot aan het begin van de richterperiode 1435-1422 5) 8 jaar: Onderdrukking door Cuschan 1422-1414 6) 40 jaar: Redding door Othniël en rust 1414-1374 7) 18 jaar: Onderdrukking door Eglon 1374-1356 8) 80 jaar: Redding door Ehud en rust 1356-1276 9) 20 jaar: Onderdrukking door Jabin 1276-1256 10) 40 jaar: Redding door Debora en Barak; rust 1256-1216 11) 7 jaar: Onderdrukking door de Midianieten 1216-1209 12) 40 jaar: Redding door Gideon, rust 1209-1169 13) 34 jaar: Tussenperiode van verscheidene naast elkaar werkende richters 1169-1135 de tijd van Abimelech 1169-1166 de tijd van Thola in het West-Jordaanland 1166-1143 de tijd van Jaïr in het Oost-Jordaanland 1157-1135 14) 40 jaar: De tijd van de Filistijnenheerschappij 1135-1095 Eli's Hogepriesterschap van veertigjarige duur; in de eerste helft daarvan (omstreeks 1140) wordt Samuël geboren 1155-1115 15) 40 jaar: Samuëls werkzaamheid en Sauls koningschap 1095-1055 16) 40 jaar: Davids koningschap 1055-1015 17) 3 jaar: Salomo's eerste regeringsjaren 1015-1012
Totaal: 480 jaar v. Chr. geb. 1487-1012 Bijzondere zwarigheden zijn er verbonden aan No. 14, "de tijd van de Filistijnenheerschappij", waarin niet alleen de verdrukking door de Ammonieten in het Oost-Jordaanland (Richteren 10:8-12,14) plaatsvindt, maar waarin ook de tweede helft van Eli's Hogepriesterschap met de daden van Simson (Richteren 14:1-16:31) en van Samuël (1 Samuël 2:12-7:14) valt. Wij plaatsen de gebeurtenissen, zoals zij chronologisch naast elkaar staan; daaruit blijkt, dat Elon nog Richter was in het Oost-Jordaanland, toen Samuël reeds een jaar lang dat ambt bekleedde in het West-Jordaanland.
1. IN `T WESTEN:
a. Eerste 20 jaren van de verdrukking door de Filistijnen tot de roof van de Verbondsark en Eli's dood: 1135-1115. (In het begin van deze tijd werd Simson geboren, nog vóór het einde ervan, omstreeks in 1117, begint hij zijn bedrijven, gelijktijdig met Jeftha).
b. De andere 20 jaar van de Filistijnenverdrukking tot hun nederlaag bij Eben-Haëzer: 1115-1095. (Simsons werkzaamheid van 1117-1097; Samuël als profeet werkzaam).
c. Samuëls richtertijd: 1095-1077.
2. IN `T OOSTEN:
a. Achttienjarige verdrukking door de Ammonieten 1135-1117 b. Jeftha's 6 jarig richterambt 1117-1111 c. Ebzan, 7 jaar 1111-1104 d. Elon, 10 jaar 1104-1094 e. Abdon, 8 jaar 1094-1086
SLOTWOORD.
Het boek Jozua moet als een afzonderlijk boek worden beschouwd, vervaardigd onafhankelijk van de Schrijver van de Pentateuch, hoewel geheel en al zich daaraan aansluitend, omdat het de geschiedenis van Israël voortzet, welke in "de vijf boeken van Mozes is begonnen".
Het boek Jozua staat tot de vijf boeken van Mozes in verhouding als de vervulling tot de Profetie. Hierin wordt toch vermeld, dat God de Heere Zijn beloften heeft vervuld, omtrent de inbezitneming van Kanaän door het nageslacht van Abraham, aan die aartsvader en zijn kinderen gedaan, en in de woestijn aan en door Mozes herhaald.
Hoogstwaarschijnlijk is Jozua, onder de leiding van de Geest, voor het grootste gedeelte zelf de vervaardiger van dit boek geweest, en is het later door één of meer van de oudsten, die tijdens en na hem leefden onder dezelfde Goddelijke leiding aangevuld. Er komen toch berichten in voor van veroveringen van steden en streken, die pas na Jozua's dood hebben plaats gehad. Wij vermelden o.a. de verovering van Hebron door Kaleb, van Debir door Othniël, van Lesem door de Danieten en de bestrijding van de Jebusieten door Juda; gebeurtenissen die later in de tijd van de Richteren plaats vonden. Men vindt deze beschreven in 13:19; 15:63; 19:47
De bedoeling van het boek is duidelijk, om namelijk aan te tonen, wat Jozua zelf meer dan eenmaal aan het volk van Israël heeft betuigd, dat niet één van de goede woorden van God ter aarde zijn gevallen, dat de Heere God een waarmaker is van Zijn Woord, en om de grote daden van God bij het nageslacht in levendige herinnering te houden, opdat zij de kinderen en kindskinderen werden ingescherpt.
Dit Bijbelboek draagt zijn naam naar de hoofdpersoon van het verhaal Jozua. Om hem scharen zich alle gebeurtenissen, zijn geschiedenis is die van het gehele Israël. Het boek staat geheel en al op zichzelf, hoewel het de draad van het verhaal, bij Deuteronomium afgebroken, onmiddelijk opvat. Niemand heeft er ooit aan gedacht het bij de Pentateuch in te lijven; het een is de belofte, het andere het tijdperk van de vervulling. Zeer gemakkelijk laat dit tijdperk zich in vieren delen.
1. Voorbereiding tot de inname van Kanaän: de ordening van Jozua, het overtrekken van de Jordaan enz. (1-6). 2. Strijd en zegepraal. De belofte vervuld, dat één Israëliet duizend vijanden zal verjagen (6-13). 3. Verdeling van het overwonnen onder de stammen. Vrij- en Levietensteden (13-23).