1 Koningen 4:1-19
I. Hier is Salomo op zijn troon, vers 1. Alzo was de koning Salomo koning dat is: hij was bevestigd als koning over geheel Israël, en niet, zoals zijn opvolgers, over slechts twee stammen. Hij was koning, hij deed het werk en betrachtte de plicht van een koning met de wijsheid, die God hem gegeven had. Diegenen bewaren de naam en de eer van hun ambt, die er het werk van ter harte nemen, en het met ijver en nauwgezetheid volbrengen.
II. De grootwaardigheidsbekleders van zijn hof, in de keus van welke zijn wijsheid ongetwijfeld ook uitgeblonken zal hebben. Het is opmerkelijk:
1. Dat verscheidenen van hen hetzelfde ambt reeds onder zijn vader bekleed hebben. Zadok en Abjathar waren toen priesters, 2 Samuël 20:25, en dat waren zij ook nu, maar toen had Abjathar de voorrang, en nu Zadok. Josafat was toen kanselier, of grootzegelbewaarder, en dat was hij ook nu. Benaja was in zijns vaders tijd een voornaam man in krijgszaken, en dat was hij ook nu. Sisa was de schrijver zijns vaders en nu zijn het zijn zonen, vers 3. Salomo was een wijs man, maar hij wilde zich toch niet voordoen als wijzer te zijn dan zijn vader in deze aangelegenheid. Als zonen er toe komen om de erfgenamen te zijn van huns vaders rijkdom eer en macht, dan is het een daad van eerbied jegens zijn nagedachtenis, om-"caeteris paribus-waar het gevoegelijk kan-"hen te gebruiken, die bij hem in dienst waren, en vertrouwen te stellen in hen, in wie ook hij vertrouwen heeft gesteld. Velen verhovaardigen zich erop om het tegenovergestelde te zijn van wat hun Godvruchtige ouders geweest zijn.
2. De overigen waren zonen van priesters. Zijn eerste staatsdienaar was Azaria, de zoon van Zadok, de priester, Twee anderen van de eerste rang waren de zonen van Nathan de profeet, vers 5. Door hen te bevorderen betoonde hij de dankbare eerbied, die hij had voor hun Godvruchtige vader, die hij liefhad in de naam eens profeten
III. De verzorgers van zijn huis, die tot taak hadden om de koning uit onderscheiden delen des lands van levensmiddelen te voorzien, voor zijn tafel en zijn kelders, vers 7, en voor zijn stallen, vers 27, 28. opdat aldus:
1. Zijn huis te allen tijde goed voorzien zou zijn, en uit de beste hand. Laat voorname mannen hieruit leren goed huis te houden, maar in hun huishouding goed overleg te hebben, vrijgevig te zijn, naar hun vermogen te leven, en toch voorzichtigheid te betrachten. Het is de hoedanigheid van de deugdelijke huisvrouw dat zij "haar brood van verre doet komen" Spreuken 31:14, niet ver gezocht en duur gekocht, integendeel alles gekocht waar het het goedkoopst was.
2. Hij en degenen, die hem onmiddellijk dienden, werden aldus van veel zorg omslagen, waardoor zij zich des te meer aan de staatszaken konden wijden, niet bekommerd zijnde met veel dienens, daar zij alle benodigdheden gereed onder hun hand vonden.
3. Alle delen van zijn koninkrijk werden gelijkelijk bevoordeeld, door er de waren van te betrekken, die de voortbrengselen waren van hun land, zodat het geld in omloop kwam. De industrie werd hierdoor aangemoedigd, bijgevolg nam ook de rijkdom toe, zelfs in die stammen, die het verst van het hof gelegen waren. Gods voorzienigheid strekt zich uit over "alle plaatsen van Zijn heerschappij," Psalm 103:22, en dat moeten ook de wijsheid en zorg van vorsten.
4. Het verdelen van die opdracht aan zovelen was verstandig, daar niemand door de voortdurende zorg voor alles een te zware taak had, en ook niemand buitensporig rijk zou worden door al de voordelen of winsten er van, en Salomo in ieder district personen zou hebben, die, afhankelijk zijnde van het trof, hem en zijn belangen zouden dienen naar de gelegenheid het meebracht.
Deze commissarissen voor de proviandering, niet van het leger of de vloot, (Salomo heeft geen enkele oorlog gevoerd) maar van de huishouding des konings, worden hier genoemd. Verscheidenen van hen bij hun toenamen, zoals aanzienlijke personen gewoonlijk hun dienaren noemen: Ben-Hur, Ben-Deker enz. Maar aan verscheidenen van hen is ook hun eigen naam toegevoegd. Twee hunner hebben Salomo's dochters gehuwd, Ben-Abinadab, vers 11, en Ahimaaz, vers 15, en het was geen verkleining voor haar om mannen van zaken te huwen. Het was een beter huwelijk met de beambten van haars vaders hof, die Israëlieten waren, dan met de zonen van vorsten, die vreemdelingen waren voor het verbond van de belofte. De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead, vers 13, en Geber zelf was in het land van Sihon en Og, waarin Mahanaim lag, vers 19. Daarom wordt hij gezegd de enige bestelmeester te zijn in dat land, omdat de andere twee, die in vers 13 en 14 genoemd zijn, van hem afhankelijk en aan hem ondergeschikt waren.