1 Koningen 11:1-8
Het is een treurige, verbazingwekkende geschiedenis, die van Salomo's afval en ontaarding.
I. Laat ons onderzoeken naar de gelegenheden en bijzonderheden er van. Zal Salomo vallen, Salomo, die het sieraad was van Israël, en zo groot een zegen voor zijn geslacht? Ja het is maar al te waar, en de Schrift is getrouw in het te verhalen en te herhalen, en er naar te verwijzen, lang naderhand, Nehemia 13:26. Er was geen koning gelijk Salomo, en hij was zijn God lief.... ook hem deden de vreemde vrouwen zondigen, daar ligt het kort begrip van zijn afval, en het was de vrouw, die hem bedroog, en de eerste was in de overtreding. Hij was verzot op vreemde vrouwen, veel vreemde vrouwen. Hier begon zijn rebellie.
a. Hij gaf zich aan vrouwen, waartegen zijn moeder hem zeer bijzonder gewaarschuwd had, Spreuken 31:3. "Geef aan de vrouwen uw kracht niet," (misschien zinspelende op Simson, die zijn kracht verloor door er inlichting over te geven aan een vrouw) want dat is het, hetwelk evenzeer als iets anders, koningen verdelgt. De val van zijn vader David begon met de lusten van het vlees, waaraan hij zich had moeten spiegelen. "De liefde tot vrouwen heeft vele gewonden neergeveld," Spreuken 7:26. en aan velen, zegt bisschop Hall, werd het hoofd gebroken door hun eigen ribbe.
b. Hij nam vele vrouwen, zó vele, dat zij ten laatste tot een getal klommen van zeven honderd, met nog drie honderd bijwijven, dus duizend tezamen, en onder die allen geen enkele goede, zoals hij zelf in boetvaardige woorden erkent, Prediker 7:28, want geen deugdzame vrouw wilde tot zo'n bende behoren. God had in Zijn wet in het bijzonder de koningen verboden om hetzij paarden of vrouwen te vermenigvuldigen, Deuteronomium 17:16, 17. Hoe hij de eerste van die twee wetten overtrad, door de paarden te vermenigvuldigen, en ze nog wel uit Egypte te hebben (hetgeen in die wet uitdrukkelijk verboden was), lazen wij in Hoofdst, 10:29, en hier hoe hij de tweede overtrad, (hetgeen nog noodlottiger gevolgen bleek te hebben), door de vrouwen te vermenigvuldigen. Mindere zonden openen de deur voor grotere. David had de vrouwen al te veel vermenigvuldigd, en dat Salomo misschien doen denken dat het geoorloofd was, Indien zij, die bekend zijn om hun Godsdienstzin, ergens een slecht voorbeeld in geven, dan weten zij niet hoeveel kwaad zij er mee doen kunnen, in het bijzonder aan hun eigen kinderen. Een slechte daad van een Godvruchtig man kan van verderfelijker gevolgen zijn voor anderen, dan twintig van een goddeloos man. Toen Salomo begon de vrouwen te vermenigvuldigen, was hij waarschijnlijk niet voornemens het aantal vrouwen van zijn vader te overtreffen, maar de weg van de zonde gaat bergafwaarts, zij, die er zich op bevinden, kunnen zich niet gemakkelijk tot staan brengen. De Goddelijke wijsheid heeft een vrouw bestemd voor een man, en zij, die denken, dat één niet genoeg is, zullen twee of drie ook niet genoeg vinden, tomeloze lusten zullen bandeloos zijn. Maar dit was niet alles.
c. Het waren vreemde vrouwen, Moabietische, Ammonietische enz, behorende tot die volken, met wie huwelijken aan te gaan in het bijzonder door God was verboden, vers 2. Sommigen denken dat hij uit staatkunde die vreemde vrouwen gehuwd heeft, om door haar bericht te krijgen van de toestand van die landen. Ik vrees dat het veeleer was, omdat de dochters Israëls hem te ernstig en zedig waren, en dat deze vreemde vrouwen hem behaagden om de lichtzinnigheid en wulpsheid, die zich openbaarden in haar kleding, in haar houding en gesprekken. Of misschien werd het beschouwd als een statigheid, om, evenals zijn andere schatten, ook zijn vrouwen van verre te doen komen, alsof het ook voor de besten van zijn onderdanen een te grote eer zou geweest zijn, hetgeen in werkelijkheid ook voor de geringsten van hen een schande zou geweest zijn-om zijn bijzit te wezen. En,
d. Om het ongeluk te voltooien: aan deze hing Salomo met liefde, vers 2. Hij hield ze niet slechts, maar was buitensporig op haar verzot, stelde zijn hart op haar, bracht zijn tijd onder haar door, vond alles goed wat zij zeiden en deden, en minachtte Farao's dochter, zijn wettige vrouw, die hem lief was geweest, en ook al de vrouwen van Israël, in vergelijking met haar. Salomo had ontzaglijk veel kennis, maar waartoe diende die hem, als hij zijn lusten niet beter wist te regeren?
2. Door haar werd hij er toe gebracht om vreemde goden te aanbidden zoals Israël door de dochters van Moab er toe gebracht werd om Baäl-Peor te aanbidden. Dit was het slechte gevolg van zijn vermenigvuldigen van de vrouwen. Wij hebben reden te geloven dat zijn gezondheid er door benadeeld werd, en het verval van de ouderdom bij hem heeft verhaast, het putte zijn schatten uit, die wel zeer groot waren, maar toch klein genoeg zouden bevonden worden om de hoogmoed en de ijdelheid van al die vrouwen te voldoen. Misschien heeft het hem op latere leeftijd er ook toe gebracht om zijn zaken te veronachtzamen waardoor hij de toevloed van buiten verloor, en genoodzaakt was om belastingen te heffen van zijn onderdanen, om zijn staat te kunnen ophouden, over welke belastingen zij geklaagd hebben. Hoofdstuk 12:4. Maar niets van dat alles was zo erg als dit: zijn vrouwen neigden zijn hart om andere goden te dienen, vers 3,4.
A. Hij werd koel en onverschillig voor zijn eigen Godsdienst, nalatig in de dienst van de God Israëls. Zijn hart was niet volkomen met de Heere, zijn God, vers 4, hij volhardde niet de Heere te volgen gelijk zijn vader David, vers 6. Wij kunnen niet veronderstellen dat hij de aanbidding van God geheel verzaakte, en nog veel minder, dat hij haar belette of verhinderde (de tempeldienst bleef als gewoonlijk voortgaan), maar zijn opgang in het huis des Heeren had niet meer zo dikwijls plaats, en hij was er niet meer zo ernstig bij, hij woonde de dienst aan zijn altaar niet zo dikwijls meer bij, hij verliet zijn eerste liefde, verloor zijn ijver voor God, en volhardde niet tot het einde zoals hij was begonnen. Daarom wordt gezegd dat zijn hart niet volkomen was, omdat hij niet standvastig was, en hij volhardde niet God te volgen, want hij volgde Hem niet ten einde toe. Zijn vader David had vele gebreken maar nooit heeft hij de aanbidding Gods veronachtzaamd, noch is hij daar ooit nalatig in geworden, zoals Salomo, wiens vrouwen al haar kunstenarijen aanwendden om hem er van af te leiden, en daar begon zijn afval.
B. Hij verdroeg en handhaafde zijn vrouwen in haar afgoderij, en had geen bezwaar er zich met haar in te verenigen. Farao's dochter was naar verondersteld wordt-tot de Joodse Godsdienst bekeerd, maar toen hijzelf lauw en onverschillig was geworden voor de dienst van God, heeft hij geen middelen gebruikt om er zijn andere vrouwen toe te bekeren. Uit beleefdheid voor haar bouwde hij kapellen voor haar goden, vers 7, 8, onderhield haar priesters, en heeft nu en dan zelf de dienst aan hun altaren bijgewoond, er mee schertsende, alsof er geen kwaad in stak, maar dat alle Godsdiensten gelijk waren, hetgeen (zegt bisschop Patrick) de kwaal was van sommige grote vernuften. Als hij de ene aldus ter wille was, dan zouden de anderen het hem kwalijk namen indien hij haar niet evenzo genoegen deed, zodat hij het alles deed voor zijn vrouwen, vers 8, totdat hij ten slotte tot zo'n hoogte van goddeloosheid was gekomen, dat hij een hoogte bouwde voor Kamos op de berg, die voor Jeruzalem is, de Olijfberg, als om tegenover de tempel te staan, die hijzelf gebouwd heeft. Deze hoogten bleven daar, werden niet volkomen neergeworpen, voor Josia het gedaan heeft, 2 Koningen 23:13. Dit is het bericht, dat hier gegeven wordt van Salomo's afval. II. Laat ons nu een ogenblik stilstaan om Salomo's val te betreuren. Met recht kunnen wij er verbaasd over staan. `Hoe is het goud zo verdonkerd! het goede, fijne goud zo veranderd! Ontzet u hierover, gij hemelen! en zijt verschrikt," zoals de profeet in een gelijk geval uitroept Jerem. 2:12. Het is vreemd:
1. Dat Salomo in zijn ouderdom verstrikt is door vleselijke lusten, lusten van de jeugd. Gelijk wij nooit moeten vertrouwen op de kracht van onze voornemens en besluiten, zo moeten wij ook niet vertrouwen op de zwakheid van ons bederf, zodat wij gerust zijn en er niet meer tegen waken.
2. Dat zo'n wijs man als Salomo die zo vermaard was voor zijn vlug begrip en gezond oordeel, zich door deze dwaze vrouwen zo heeft laten verdwazen.
3. Dat iemand, die zo dikwijls en zo duidelijk anderen gewaarschuwd heeft voor het gevaar van de liefde van de vrouwen, er zelf zo ellendig door betoverd werd. Het is gemakkelijker een kwaad te zien en er anderen voor te waarschuwen, dan het zelf te schuwen.
4. Dat zo'n Godvruchtig man, die zo ijverig was voor de aanbidding Gods, bekend is geweest met Goddelijke dingen, en dat uitnemende gebed heeft gebeden bij de inwijding van de tempel, die zondige dingen zou doen-is dit Salomo? Is het met al zijn wijsheid en Godsvrucht ten slotte hiertoe gekomen? Nooit heeft een prachtig schip zo ontzettend een schipbreuk geleden, nooit werd een kroon zo ontwijd.
Wat zullen wij er van zeggen?
A. Waarom God het heeft toegelaten, betaamt ons niet te onderzoeken. Zijn weg is in de zee, en Zijn pad in grote wateren, Hij wist er zich in te verheerlijken. God voorzag het toen Hij betreffende hem, die de tempel zou bouwen, gezegd heeft: als hij misdoet, enz, 2 Samuël 7:14.
B. Maar wèl betaamt het ons te vragen welke lering wij er uit kunnen trekken.
a. Die meent te staan, zie toe dat hij niet valle, wij zien hoe zwak wij zijn in onszelf zonder de genade Gods, laat ons dus voortdurend leven in afhankelijkheid van die genade.
b. Zie het gevaar van een toestand van voorspoed, en hoe moeilijk het is de verzoekingen er van te overwinnen. Gelijk Jeshurun werd Salomo vet, en toen sloeg hij achteruit, het brood des bescheiden deels, waar Agur om heeft gebeden, is veiliger en beter dan de overvloed van spijs, waarvan Salomo oververzadigd was.
c. Zie hoe diegenen, die een schone belijdenis van Godsvrucht hebben afgelegd en zich ijverig hebben betoond in de dienst van God, het nodig hebben om op hun hoede te zijn, want op hen zal de duivel zijn verwoedste aanvallen richten, en zo zij misdoen is de smaad nog zoveel te groter. Het is de avond, die de dag looft, laat ons dus vrezen, dat wij wèl gelopen hebbende, toch blijken achtergebleven te zijn.