1 Koningen 8:1-11
Hoewel de tempel rijk versierd was, was hij, zolang er de ark niet in was, als een lichaam zonder ziel, of een kandelaar zonder kaars, of (om in meer eigenlijke zin te spreken) als een huis zonder bewoner. Al de kosten en moeite aan dit statig gebouw besteed, zijn verloren, zo God ze niet aanneemt, en tenzij het Hem behaagt het te erkennen als de plaats, waar Hij Zijns naams gedachtenis stichten wil, is het met dat al slechts een puinhoop. Als daarom al het werk volbracht is, Hoofdstuk 7:51, blijft het een nodige nog te doen over, en dat is: het inbrengen van de ark. Dit is alzo het einde, dat het werk moet kronen, en wij hebben hier het bericht dat het met grote plechtigheid gedaan werd.
I. Salomo leidt deze dienst, zoals David de dienst geleid heeft bij het opbrengen van de ark naar Jeruzalem, en geen van beide heeft het beneden zich geacht om de ark te volgen of het volk daarbij voor te gaan. Salomo roemt in de titel van prediker, Prediker 1:1, en meester van de verzamelingen, Hoofdstuk 12:11. Deze grote verzameling roept hij op, vers 1, en hij is er het middelpunt van, want tot hem zijn zij allen verzameld, vers 2, op het feest in de zevende maand, namelijk het Loofhuttenfeest, dat gevierd moest worden op de vijftiende dag dier maand, Leviticus 23:34. Als een zeer goed man brengt David de ark naar een geschikte plaats in zijn nabijheid, als een zeer groot man brengt Salomo haar naar een prachtige plaats. Een ieder gelijk hij gaven ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve, en de kinderen zetten de dienst van God voort, waar hun ouders er mee gebleven zijn.
II. Gans Israël woonde de dienst bij, hun rechters en de hoofden hunner stammen en geslachten, al de beambten, burgerlijke en militaire, en, zoals zij in het hoorden spreken, de hoofden hunner clans, dat is hunner stammen in ergere zin. Een bijeenkomst van alle dezen kon wel een verzameling van geheel Israël genoemd worden. Zij kwamen nu bijeen:
1. Om eer te doen aan Salomo en hem de dank van de natie te bieden voor al de goede diensten, die hij hun in vriendelijkheid had bewezen.
2. Om eer te doen aan de ark, er eerbied aan te bewijzen, en van hun algemene vreugde te getuigen over haar vestiging. De toeneming van uitwendige pracht voor de ark is wel dikwijls een verzoeking geweest voor geveinsden om haar te volgen, daar deze echter bevorderlijk kan zijn aan haar ware belangen, moeten zij, die het goede voor haar wensen, er zich toch (met beving) in verheugen. Openbare zegeningen moeten dankbaar in het openbaar worden erkend. Zij, die voor het aangezicht des Heren kwamen, zijn niet met ledige handen gekomen, want allen offerden zij talloze schapen en runderen, vers 5. In Salomo's tijd was het volk zeer rijk, zeer gerust en zeer blijmoedig, en daarom voegde het, dat zij bij deze gelegenheid niet slechts hun blijmoedigheid, maar ook een deel van hun rijkdom aan God en Zijn eer zouden wijden.
III. De priesters volbrengen hun deel van de dienst. In de woestijn moesten de Levieten de ark dragen, omdat er toen geen priesters genoeg waren om het te doen, maar hier (het was de laatste maal dat de ark gedragen moest worden) hebben de priesters het zelf gedaan zoals hun bevolen was het te doen, toen zij rondom Jericho gedragen moest worden. Hier wordt ons gezegd: 1. Wat in de ark was, niets dan de twee tafelen, vers 9, een schat van oneindig groter en hoger waardij dan al de geheiligde dingen van David en Salomo. De kruik met manna en Aarons staf waren bij de ark, niet er in.
2. Wat met de ark opgebracht werd, vers 4, de tent van de samenkomst. Waarschijnlijk zijn die, welke Mozes heeft opgericht in de woestijn en die te Gibea was, en die, welke David gespannen heeft in Zion, beide naar de tempel gebracht, waaraan zij als het ware al haar heiligheid overgaven, ze ineen latende vloeien met die van de tempel, die van nu voortaan de plaats moet zijn, waar God gezocht moet worden. Aldus zullen al de heilige dingen van de kerk op aarde, welke zozeer haar blijdschap en heerlijkheid zijn, verzwolgen worden in de volmaaktheid van de heiligheid hierboven.
3. Waar zij op haar plaats gesteld werd, de plaats, bestemd voor haar rust na al haar omwandelingen, vers 6, tot de aanspraakplaats des huizes, vanwaar zij verwachtten dat God tot hen zou spreken, namelijk in het heilige van de heiligen, die dit werd door de aanwezigheid van de ark onder de vleugelen van de grote cherubim die Salomo er gezet had, Hoofdstuk 6:27, de bijzondere bescherming van de engelen aanduidende, onder welke Gods inzettingen en de vergaderingen Zijns volks gezet zijn. De handbomen van de ark werden uitgetrokken, zodat zij van onder de vleugelen van de cherubim gezien werden, om de hogepriester naar het verzoendeksel te wijzen boven de ark, als hij eenmaal in het jaar inging om er het bloed te sprengen, zodat zij nog van enig nut bleven, hoewel het niet langer nodig was om er de ark mee te dragen.
IV. God had een welbehagen in hetgeen gedaan was, en heeft er Zijn genadige aanneming van betoond, vers 10, 11. De priesters mochten in het heilige van de heiligen komen, totdat God er Zijn heerlijkheid openbaarde, maar van nu voortaan mocht niemand de ark naderen dan de hogepriester op de verzoendag. Het zou op hun gevaar zijn, zo zij het wèl deden. Daarom was het niet voordat de priesters uit de aanspraakplaats waren gekomen, dat de Shechina er bezit van nam in een wolk, die niet slechts het heilige der heiligen vervulde, maar ook de tempel, zodat de priesters, die reukwerk brandden aan het gouden altaar, het niet konden dragen. Door deze zichtbare uitstraling van de Goddelijke heerlijkheid:
1. Heeft God de eer gelegd op de ark, haar erkend als het teken van Zijn tegenwoordigheid. Haar heerlijkheid was gedurende lange tijd verminderd en verduisterd door haar veelvuldige verplaatsingen, het geringe van haar verblijf en haar al te veel blootgesteld zijn aan aller blikken, maar God wil nu tonen dat zij Hem even dierbaar is als ooit tevoren, en Hij wil dat zij met evenveel eerbied beschouwd zal worden als toen Mozes haar voor het eerst in zijn tabernakel heeft gebracht.
2. Hij betuigde Zijn aanneming van het gebouw en de meubilering van de tempel. Zijn welbehagen er in, als goede dienst gedaan aan Zijn naam en Zijn koninkrijk onder de mensen.
3. Hij bracht ontzag in deze grote vergadering, en bevestigde door hetgeen zij zagen hun geloof in hetgeen zij gelezen hadden in de boeken van Mozes betreffende de heerlijkheid van Gods verschijningen aan hun vaderen, opdat zij hierdoor, dicht bij de dienst van de God Israëls zouden gehouden worden, en versterkt zouden worden tegen de verzoeking tot afgoderij.
4. Hij toonde zich bereid om het gebed te horen, dat Salomo nu ging doen, en dat niet alleen, maar Hij vestigde Zijn woning in dit huis, opdat al Zijn biddend volk aangemoedigd zou zijn om hun smekingen tot Hem te richten. Maar de heerlijkheid des Heren verscheen in een wolk, een donkere wolk, om te kennen te geven:
a. Het duistere van die bedeling in vergelijking met het licht des Evangelies, door hetwelk wij "met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heren als in een spiegel aanschouwen."
b. Het duistere van onze tegenwoordige staat, in vergelijking met het visioen Gods, dat de zaligheid zal zijn van de hemel, waar de Goddelijke heerlijkheid on-omsluierd is. Thans kunnen wij alleen zeggen wat Hij niet is, maar dan zullen wij Hem zien gelijk Hij is.