1 Koningen 21:1-4
I. Hier is Achabs begeren van de wijngaard van zijn naaste, die ongelukkig dicht bij zijn paleis lag, en geschikt was voor een moestuin, misschien heeft het Naboth genoegen gedaan een wijngaard te hebben, zo gunstig gelegen bij de koninklijke tuinen, en waarvan de voortbrengselen aan de koninklijke familie verkocht konden worden, maar de ligging er van bleek hem noodlottig te zijn. Indien hij geen wijngaard had gehad of indien die ergens in een afgelegen hoek was gelegen, hij zou het leven hebben behouden, maar menigmaal is de bezitting van een mens een strik voor hem geweest, en de nabuurschap van de groten van de wereld van verderflijke gevolgen. Achab zet zijn oog en zijn hart op deze wijngaard, vers 2, hij zou een mooie aanwinst zijn bij zijn domein, een gerieflijke uitgang voor zijn paleis, en hij is niet tevreden vóór hij zijn eigendom is geworden. Hij is welkom om er de vruchten van te hebben, welkom om er in te wandelen, misschien zou Naboth hem ook wel aan hem verhuurd hebben om hem genoegen te doen, maar niets kan hem genoegen doen, als hij er niet het volstrekte bezit van heeft, hij en zijn erfgenamen voor altijd. Maar hij is toch niet zo'n tiran, dat hij hem met geweld wegneemt, maar eerlijk voorstelt, om hem de volle waarde in geld te betalen of er hem een betere voor in de plaats te geven. Hij had lafhartig de voordelen prijsgegeven, die God hem geschonken had om zijn gebied te vergroten tot eer van zijn koninkrijk door zijn overwinning over de Syriërs, en nu is hij belust om zijn tuin te vergroten, alleen maar voor het gerief van zijn huis, alsof zijn zuinigheid in het kleine zijn verkwisting in het grote goed kon maken. Een gerieflijkheid te begeren voor zijn bezitting, was niet slecht, -er zou geen koop plaatshebben, indien er naar het gekochte geen begeerte was, de deugdzame huisvrouw "denkt om een akker en koopt hem," Spreuken 31:16 maar enigerlei zaak op een ongeregelde wijze te begeren, dat is-al zouden wij het ook door wettige middelen verkrijgen-een vrucht van de zelfzucht, alsof wij al de gerieflijkheden naar ons moeten toehalen, alsof niemand bij ons moet leven of aangenaam moet leven, in tegenspraak met de wet van de tevredenheid en de letter van het tiende gebod: Gij zult niet begeren uws naasten huis.
II. Zijn begeerte wordt afgewezen, Naboth wil zijn wijngaard niet afstaan, vers 3. Dat late de Heere verre van mij zijn. De Heere had het verboden, anders zou hij zo onbeleefd niet geweest zijn jegens zijn vorst, om hem in zo'n kleine zaak niet ter wille te zijn. Kanaän was in zeer bijzondere zin Gods land, de Israëlieten waren, om zo te zeggen, Zijn huurders, en een van de voorwaarden, waarop zij het in huur of in pacht hadden, was, dat zij niets van hetgeen hun ervan ten deel was gevallen, mochten vervreemden, ja zelfs niet aan elkaar, tenzij dan in een geval van de uiterste noodzakelijkheid, en dan nog maar alleen tot aan het jubeljaar, Leviticus 25:28. Nu voorzag Naboth dat, indien zijn wijngaard verkocht zou worden aan de kroon, hij nooit aan zijn erfgenamen zou komen, neen, zelfs niet in het jubeljaar. Hij zou gaarne de koning willen verplichten, maar hij moet God meer gehoorzamen dan de mensen, en daarom wenst hij in deze zaak voor verontschuldigd gehouden te worden. Achab kende de wet, of behoorde haar te kennen, en daarom was het slecht van hem te vragen hetgeen zijn onderdaan hem niet kon toestaan zonder te zondigen. Sommigen denken dat Naboth zijn aards erfdeel beschouwde als een onderpand van zijn deel en lot in het hemelse Kanaän, en daarom van het aardse geen afstand wilde doen, uit vrees dat dit een verbeuren van het hemelse tengevolge zou hebben. Hij schijnt een nauwgezet man te zijn geweest, die zich liever aan het ongenoegen van de koning wilde blootstellen, dan tegen God te zondigen. Waarschijnlijk was hij een van de zeven duizend, die de knieën voor Baai niet gebogen hebben, en Achab daarom misschien een wrok tegen hem had. III. Achabs groot misnoegen en onrust hierover, evenals tevoren, Hoofdstuk 20:43, was hij gemelijk en toornig, vers 4, werd er neerslachtig onder, hij wierp zich op Zijn bed, wilde niet eten, noch iemand tot zich toelaten. Hij kon de belediging niet verkroppen, zijn hoogmoedig hart verzwaarde nog de smaad, die Naboth hem door zijn weigering had aangedaan alsof het iets onduldbaars was. Hij verwenste zijn overdreven nauwgezetheid van geweten, en zon op wraak. Hij kon de teleurstelling niet dragen, hij was er diep door gekrenkt dat hij in zijn begeerten gedwarsboomd werd, en hij was bepaald ziek van verdriet en ergernis er over. Ontevredenheid is een zonde, die zichzelf straft en maakt dat de mensen zichzelf kwellen en pijnigen, zij maakt de geest neerslachtig, het lichaam ziek, verzuurt elk genot, zij is de bekommernis van het hart en de verrotting van de beenderen. Het is een zonde, die zichzelf voortbrengt, zij ontstaat niet uit de toestand, maar uit het hart, gelijk wij Paulus vergenoegd vinden in een gevangenis zo vinden wij Achab onvergenoegd in een paleis. Hij had al de genietingen van Kanaän, dat lieflijke land, tot zijn dienst, de schatten van het koninkrijk, de genoegens van het hof, de eer en de macht van de troon, maar dit alles baat hem niet, als hij Naboths wijngaard niet heeft. Ongeregelde begeerten stellen de mensen bloot aan gedurige kwellingen, en zij, die geneigd zijn zich te kwellen en te verbitteren zullen wel altijd iets vinden om over verbitterd te zijn.