12. En in heel die sterke hand, en in al die grote verschrikking, die vreselijke daden, die Mozes gedaan heeft voor de ogen van geheel Israël, gedurende de 40 jaar in de woestijn, om zich bij hen te doen geloven, hun harten totvrolijk vertrouwen en gehoorzaamheid op te wekken, en, zo nodig, hun een heilzame schrik in te boezemen.
Dit oordeel over Mozes wordt niet verminderd door het optreden en werken van een lange rij profeten na Mozes in Israël. Nadat Jozua onder de machtige, ook in tekenen en wonderen zich betonende bijstand van de Heere de Kanaänieten geslagen, hun land veroverd en onder de kinderen van Israël verdeeld had, en toen hierna stam voor stam zich gevestigd had in zijn grondgebied, zodat men, zoals in Vers 2 gebeurt, de verscheidene delen van het land naar Nafthali, Efraïm, Manasse en Juda begon te noemen, toen kon reeds de overtuiging in Israël veld winnen, dat geen profeet meer opstond als Mozes, aan wie zich de Heere betoond had met zulke tekenen en wonderen voor de Egyptenaren, en voor de ogen van geheel Israël..
Wij geven tenslotte als voortzetting van de aan het eind van Genesis medegedeelde tijdtafel, nog een chronologisch overzicht over het leven van Mozes, als volgt:
na de Schepping, voor Christus geb. Mozes' geboorte.......... 2433 1572
Vlucht uit Midian.........2473 1532
Zijn roeping, Uittocht uit Egypte. 2513 1492
Mozes' dood............2553 1452
SLOTWOORD
Mozes spreekt in dit boek als een scheidende vader van zijn kinderen. De taal is hartelijk, inspirerend, aangrijpend. Hij blikt terug op de 40 jaren die voorbij gingen, herinnert het volk aan de genoten weldaden, de ondank, waarmee het op zo veelvuldige wijze de Heere vergolden heeft, aan de oordelen van God, en de achter dezelfde toch steeds weer tevoorschijn komende Liefde; verklaart, herhaalt en verheldert de wetten, en wordt het niet beu met de hartelijkste en de meest aangrijpende woorden hen te vermanen, om ze op te volgen, terwijl daarin alleen het leven van het volk is. Overziet alle stormen en strijden, die het ondervonden en doorstaan heeft, voorspelt uit het verleden, de toekomst, geeft een overzicht van de toekomstige ontwikkeling van het volk, ziet met smart en vreugde hoe zich in de toekomst de drie tijdvakken van het verleden, nl. afval, straf en begenadiging zullen herhalen.
Wordt ons in Numeri beschreven, hoe Israël wordt voorbereid, om in Kanaän op eigen erf te worden gesteld, vooral ook wat betreft de inrichting tot een welgeordende burgerstaat, in Deuteronomium ontvangt de nakomelingschap van het volk, dat bij Sinaï de Wet ontving, nog eens uitvoerig de mededeling van al wat het gehouden is te beleven. In de drie redevoeringen van Mozes hebben wij niet een blote herhaling van de wetten bij Sinaï gegeven, maar behalve de herhaling, ook een uitbreiding en nadere uitleg ervan. Wat Israël in Kanaän onderhouden had. zowel op godsdienstig als op zedelijk en maatschappelijk gebied, wordt door God, de Heere, door de mond van Mozes, Israël op het hart gedrukt, opdat het als een volk, verlost door de Heere, als een volk, dat als het ware onmiddellijk zijn wetten uit de hemel ontvangen had, gelukkig en rustig zou leven onder zijn wijnstok en vijgeboom. Wat alleen voor de woestijn, voor het leven in de woestijn gold, wordt weggelaten; wat betrekking had op het wonen in Kanaän, daarvoor, hier en daar, in de plaats gesteld. Het zijn geen andere wetten en ordinantiën, het zijn wat het wezen betreft, dezelfde wetten, als bij Sinaï gegeven, maar in overeenstemming gebracht, waar het moest, met de gewijzigde toestanden en behoeften van het volk. De "herhaling van de Wet" houdt rekening met de organische ontwikkeling van het volk, zoals deze onder de leiding van God en onder zijn onmiddellijke bestuur heeft plaatsgehad. En, opdat het Israël van toen, dat nieuwe geslacht, dat in de woestijn was geboren of groot geworden, het wel zou verstaan, dat aan de onderhouding van des Heeren wetten Zijn zegen, maar ook aan de overtreding ervan Zijn Goddelijk misnoegen en straf was verbonden, daarom zingt de man van God, de grootste profeet, zijn lied, waarin zegen en vloek elkaar afwisselen, maar spreekt ook, als de Middelaar van het Oude Verbond, tevens zijn zegen uit over dit geslacht, opdat het in het Beloofde land de goedertierenheid van God zou mogen ervaren. Zo getuigt alles van een eenheid, die voor ons aan geen enkele bedenking onderhevig is. Maar zo kon het ook niet anders, dan dat, als straks Jozua het verbond plechtig vernieuwt Jozua 24:25, hij aan deze boeken, en vooral aan het laatste boek, een bericht toevoegt, omtrent de laatste ogenblikken en de dood van deze Grote onder Israël, als aanhangsel bij het wetboek, om het Israël nooit te doen vergeten, dat hij, die op aarde met recht de "mond van God" kon worden genoemd, ook als aan Diens mond is ontslapen.. EINDOPMERKINGEN OVER DE PENTATEUCH.
Het naar de vijf werken verdeelde werk van Mozes, werd, naar deze verdeling, door de Grieken en Romeinen Pentateuchus genoemd. Dit woord is samengesteld uit Pente (= vijf) en yeucov (= werktuig, huisraad), dat in de Alexandrijnse eeuw ook voor "boek" werd gebruikt. Pentateuchus betekent dus: het vijfheilige boek. De verdeling in vijf boeken behoeft men hier niet, zoals in andere boeken, voor van latere dagtekening te houden; de verdeling is hier veelmeer gelijk met de oorsprong ontstaan; ook is het getal vijf niet zonder betekenis en wijst de betrekking aan, die de samensteller nog met Egypte had (zie Exodus 2:10). In de Hebreeuwse Kanon heet het, naar zijn hoofdinhoud, het Wetboek (Deuteronomium 31:26; Jozua 1:8 enz. ), of kortweg de wet (Nehem.8:2,7,13 enz.; de Hebreeuwse uitdrukking voor het laatste is Thora d.i. Leer, onderwijzing. Verscheidene malen, zoals b.v. in Deuteronomium 31:9, 23, wijst Mozes zichzelf aan, als de vervaardiger. Wanneer nu overigens de oorsprong van een geschrift der Oudheid juist daardoor twijfelachtig wordt, dat de vervaardiger zichzelf hehaalde malen, als zodanig vermeld, zo doet men allereerst opmerken, dat Mozes zijn vaderschap in het geheel niet vermeldt, om het te vermelden, maar slechts in zoverre het ingevlochten is in de gang van de ontwikkeling, van de door hem vermelde daadzaken, derhalve, waar het kon noch verzwegen mocht worden; bovendien hebben wij hier te doen met een vervaardiger, achter wiens schriftelijke werk nog een ander werk staat, niet met inkt, maar met de Geest van de levende God geschreven, dat genoegzame getuigenis van waarheid en vertrouwdbaarheid aan het eerste geeft-wij menen het volk Israël in zijn geschiedenis, zo wonderbaar, zo enig in zijn soort-(het volk Israël zelf met zijn gehele na-Mozaïsche geschiedenis en literatuur is de levende, onvergankelijke en onbedrieglijke papyrus-rol, waarop, als met Gods vinger, de tekst van de Thora gegrift is).
Het zou ook niemend, wie dan ook, invallen, om de authentie (= echtheid) van Mozes' geschriften te betwijfelen, wanneer niet velen van het geslacht van deze tijd, bevangen door het naturalisme van de moderne wereldbeschouwing, een natuurlijke openbaring van God met wonderen en voorspellingen reeds van tevoren (a priori) voor onmogelijk hielden, en tot staving van zulke vooropgestelde meningen er juist toe genoodzaakt werden, de bijbelse oorkonden, die daarmee in tegenspraak zijn, voor verzinsels van latere tijd, of voor onwillekeurige opsiering van oudere berichten, door de volkssage te houden. De eerste, die, om ons te bedienen van een uitdrukking van Goethe (Werken, 27,68) "het mes en tentijzer in de Pentateuch zette" was de lijfarts van koning Lodewijk XIV, Astruc, Doctor en Professor in de medicijnen aan het Koninklijk College te Parijs. Als zijn studie, wat betreft de geschiedenis van het ontstaan van Syphilis, waardoor hij in de medische wetenschap veel belangrijks tevoorschijn heeft gebracht, het toeliet, onderwierp hij de wetten van Mozes, betreffende de vloeiingen in verband met het geslachtsleven (Leviticus 12, 15), aan een diepgaand onderzoek, en werd op die manier meer werkzaam met de Pentateuch. In zijn, in 1853 te Brussel verschenen, geschrift (Conjectures sur les mémoires originaux, dont il parait que Moyse s'est servi pour composer le livre de Genèse) zocht hij de verwisseling van Gods namen in Genesis (Genesis 2:4 aanm), om daaruit te verklaren, dat het gehele boek uit twee hoofdoorkonden, een JEHOVAH- en een ELOHIM-oorkonde, was samengesteld. Deze hypothese, in het begin weinig opgemerkt, werd in aanzien gebracht door Johannes Gottfried Eichhorn, professor in de Oosterse talen te Jena; zij werd later de Oorkonden-Hypothese genoemd. Toch werd zij spoedig terzijde gesteld door de Fragmenten-Hypothese, die haar ontstaan te danken had aan Vater, Prof. der Theologie te Halle; deze versnipperde de hele Pentateuch in verschillende fragmeneten (brokstukken), ontleend aan de opschriften en slotformules, ook aan de veelvuldige herhalingen en zogenaamde verschillende berichten over één en dezelfde gebeurtenis. Onlangs heeft men ook die prijsgegeven, en de Oorkonden-Hypothese vervormd in de Aanvullings-Hypothese, die weliswaar in het onderhavige werk een plan van eenheid erkent, maar toch de oorspronkelijke eenheid ervan tegenspreekt; de samensteller van de Pentateuch (de Jehovist) moet veeleer een ouder, van de wereldschepping tot Jozua reikend geschrift (dat van de Elohist), als een ur-schrift, voor zich gehad hebben, en dit hebben omgewerkt met aanmerkelijke inlassingen of aanvullingen. De voorstanders van deze beschouwing (Tuch, Knobel e.a.) hebben ook stuk voor stuk geprobeerd aan te wijzen, welke stukken de Elohist en welke de Jehovist toebehoren. Maar niet alleen komen zij onderling in tegenspraak, omdat de één zich de zaak zo voorstelt en de ander zo; maar ook komt ieder voor zich in grote moeilijkheid bij zulke gedeelten, die, volgens de aangenomen grondstellingen, aan de ene zijde tot het ur-schrift schijnen te behoren en in andere opzichten tot het aanvullings-schrift; daarom heeft men zich genoodzaakt gezien, nog een derde, ja zelfs een vierde geschrift als bron aan te nemen, en hieraan kan men dan toewijzen, wat zich niet onder de beide andere laat rangschikken. Tegenover al deze onderstellingen over het ontstaan van de Pentateuch, hebben theologen als Hengstenberg, Drechsler, Ranke, Hävernick, Keil e.a. met overtuigende gronden aangewezen, dat de eenheid van plan, door al de vijf boeken heen zichtbaar, waardoor wij daarin een geschiedenis en wetgeving voor ons hebben, die zich ten doel stellen, de historische oorsprong en de wettige grondvesting van de theocratie of van de Israëlitische Godsstaat te vormen, een oorspronkelijke eenheid is, tegelijk ontstaan met het ontwerp zelf, en geenszins, als een bijvoegsel, dat lange tijd daaraan ontbroken had, daaraan opgedrongen is door de eindbewerkers; verder, dat de enkele vervaardiger geen ander is, dan juist Mozes, door wie God met Israël een verbond gesloten heeft, door wie de wetten aan Israël gegeven zijn. Zonder twijfel evenwel heeft Mozes ook nog geput uit berichten en oorkonden, doe reeds vóór hem verzameld waren en-zijn werk wordt er ons van meerdere waarde om. Verschil van woorden en stijl tonen dit genoegzaam; en geen wonder ook! "Mozes is wel de grootste der Profeten in het oude verbond geweest, maar daarom niet de eerste".
"En op deze wijze wordt tegelijk hun hoge Goddelijke afkomst niet het allerminst ontkend of ontzenuwd; maar geraken wij integendeel, tot het eerder allergelukkigst te noemen resultaat, dat ook vóór Mozes reeds enkele, door God gegeven schriften, en gewijde oorkonden bestaan moet hebben, en wordt door deze opvatting de lijn van Goddelijke ingeving derhalve verder uitgestrekt en tot in de diepten van de Israëlitische oudheid voortgezet, dan wel in het geringste gekrenkt of beperkt. Men mag zelfs nog verder gaan in het onderscheiden van de elementen, waaruit de Pentateuch, zoals wij die als één geheel bezitten, in zijn hoge oudheid is samengesteld. Niets verbiedt ons de ettelijke plaatsen in de Mozaïsche schriften, die kennelijk een aantekening of aanvulling uit later tijd dan die van Mozes eigen leven bevatten, toe te schrijven aan een latere, mits altijd bevoegde en van God gewijde hand." Maar toch: "de Pentateuch draagt met recht de naam van "Boeken van Mozes," omdat zij voor het grootste gedeelte zijn eigen woorden en de hem door God onmiddellijk tot opschrijven gegeven Oorkonden bevatten.". Het autograaf, d.i.: het door Mozes zelf geschreven exemplaar van zijn werk, werd door de priesters aan de zijde verbondsark neergelegd (Deuteronomium 31:26 ), vermoedelijk omstreeks de tijd, toen het volk tot rust gekomen was en de tabernakel te Silo haar standplaats had Jozua 18:1. Maar voor dit kon gebeuren, moest afschrift van de gehele Pentateuch genomen worden, en bij deze gelegenheid zullen wel enige noodzakelijke bijvoegingen, zoals ook het eerder genoemde laatste gedeelte, gevoegd zijn, waarschijnlijk door Jozua met behulp van de hogepriester Eleazar en door de oudsten, op wie Mozes' geest rustte (Numeri 11:25 ) en, die al de werken wisten, door de Heere aan Israël gewrocht Jozua 24:31 ); toch bleef zeer waarschijnlijk het handschrift van Mozes zoals het was, zonder enige toevoegsels.
Wanneer Gregorius van Naziana (tegen het einde van de 4de eeuw na Chr) Mozes kenschetst als de "Oceaan van de theologie, waaruit alle stromen en zeeën ontspringen", wanneer een rijk begaafd theoloog van de tegenwoordige tijd, de Thora, een onuitputtelijke zee van het weten, een groeve van nog onopgedolven schatten van kennis, een verzameling van onontvouwde kleinoden en mysteriën, noemt, dan kunnen wij nu, nadat wij ons uit eigen ervaring overtuigd hebben, daarmee slechts onze goedkeurende stem paren en moeten dringend wensen, dat Mozes d.w.z. de Thora immer ijveriger bestudeerd zal worden, vooral opdat men meer en meer het Nieuwe Testament zullen verstaan. De zo-even aangehaalde theoloog merkt aan: "Wat in het Nieuwe Testament de vier evangeliën zijn, dat zijn in het Oude de vijf boeken van Mozes. Die parallel gaat diep. Het Mattheüs-evangelie begint werkelijk, als een aansluiting op het Genesis van het Oude Testament, met het boek der Genesis (van het geslacht) van Jezus Christus, en het Johannes-evangelie is met geen oudtestamentisch boek zo nauw verwant als met Deuteronomium."