Exodus 12:37-42
Hier is het vertrek van de kinderen van Israël uit Egypte, daar zij hun vrijlating verkregen hebben. Zij vertrokken zonder uitstel of zonder een meer gelegen tijd af te wachten. Farao was nu in een goede gemoedsstemming, maar zij hadden reden te denken dat hij er niet lang in zou blijven, en daarom was het geen tijd van dralen. Wij hebben hier een bericht:
1. Van hun aantal, omtrent zes honderd duizend te voet, vers 37, behalve de vrouwen en kinderen, die wij, dunkt mij, op niet minder dan nog twaalf maal honderd duizend kunnen veronderstellen. Welk een machtige toeneming van zeventig zielen in weinig meer dan twee honderd jaren! Zie de kracht en uitwerking van die zegen, als God het gebiedt: "Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt." Dit was een type van de menigten, die in de evangeliekerk gebracht werden, toen zij gesticht werd, "alzo wies het woord van de Heer met macht, en nam de overhand."
2. Van hun gevolg. vers 38, veel vermengd volk trok ook met hen op, afhankelijken van die grote familie, sommigen misschien graag bereid om hun land te verlaten, omdat het verwoest was door de plagen, en zoals wij zeggen, hun fortuin te zoeken met de Israëlieten, anderen gingen mee uit nieuwsgierigheid, om de plechtigheden te zien van de offeranden van de Israëlieten aan hun God, waarvan zoveel gesproken was, en verwachtende heerlijke verschijningen van God aan hen te zien in het veld van Zoan, Psalm 78:12. Waarschijnlijk bestond het grootste deel van die gemengde menigte uit ruw, onnadenkend volk, die de schare volgden zonder te weten waarom, wij zullen later zien dat zij hun tot een strik waren, Numeri 11:4- en het is waarschijnlijk, dat zij spoedig daarna, toen zij begrepen dat de kinderen van Israël gedurende veertig jaren in de woestijn zullen blijven, hen verlaten hebben en naar Egypte zijn weergekeerd. Er zijn altijd onder de Israëlieten zulken geweest, die geen Israëlieten waren en nog zijn er geveinsden in de kerk, die veel kwaad doen, maar die ten slotte van haar afgeschud zullen worden.
3. Van hun goederen. Zij hadden schapen en runderen, zeer veel vee. Hiervan wordt nota genomen, omdat het lang duurde eer Farao hun wilde toestaan hun goederen mee te nemen, grotendeels bestaande uit vee, Genesis 46:32
4. Van hun provisie voor het kamp, die zeer armoedig en schaal was. Zij brachten in hun reiszakken, gebonden op hun schouders enig deeg mee uit Egypte, vers 34. Zij hadden het bereid om het de volgende dag te bakken met het oog op hun vertrek, dat zij begrepen nu zeer nabij te zijn, maar nog enige uren vroeger dan zij dachten, weggehaast zijnde namen zij het deeg zoals het was, ongezuurd en toen zij te Sukkoth, hun eerste pleisterplaats, kwamen, bakten zij er ongezuurde koeken van, en nu waren deze dus natuurlijk wel flauw van smaak, maar de vrijheid, waartoe zij gekomen waren, maakte het tot de meest vreugdevolle maaltijd, die zij ooit gehad hadden. De dienstknechten van God moeten geen slaven zijn van hun eetlust, en niet de genietingen van de zinnen tot de hoogste graad van volmaaktheid willen opvoeren. Wij moeten bereid zijn om ons met droog brood tevreden te houden, ja met ongezuurd brood, veeleer dan onze dienst voor God te veronachtzamen of uit te stellen, als degene voor wie spijs en drank het is Gods wil te doen.
5. Van de dagtekening van deze grote gebeurtenis. Het was juist vier honderd en dertig jaren sedert de belofte, gedaan aan Abraham (gelijk de apostel het verklaart Galaten 3:17) bij zijn eerste komst in Kanaän, gedurende al welke tijd de kinderen van Israël, dat is de Hebreeën, het onderscheiden, verkoren zaad, vreemdelingen waren in een land, dat het hunne niet was, hetzij Kanaän of Egypte. Zolang is de belofte van God aan Abraham van een vestiging onvervuld gebleven, maar nu begonnen de dingen mee te werken tot de vervulling er van. De eerste dag van de tocht van Abrahams zaad naar Kanaän was (op de dag af naar het schijnt) juist vier honderd en dertig jaren na de belofte, gedaan aan Abraham, Genesis 12:2, "Ik zal u tot een groot volk maken." Zie hoe stipt God is op Zijn tijd, al worden Zijn beloften ook niet snel of spoedig vervuld, op hun tijd zullen zij vervuld worden.
6. Van het gedenkwaardige er van, vers 42. Deze nacht zal men de Heer op het ijverigst houden.
a. De leidingen van God van die eerste nacht waren zeer opmerkelijk, opmerkelijk was het verderf van de Egyptenaren, en van de Israëlieten bevrijding er door. God heeft zich hierdoor doen opmerken.
b. De inzettingen van die nacht moesten bij zijn jaarlijkse terugkeer zorgvuldig waargenomen worden. Dit is de nacht van de Heer, de merkwaardige nacht, die op het ijverigst moet gehouden worden van al de kinderen van Israël onder hun geslachten. De grote dingen, die God doet voor Zijn volk moeten hun niet wezen als het wonder van een dag, zoals wij zeggen, maar de gedachtenis er van moet bewaard blijven tot in alle eeuwen, in het bijzonder het werk van onze verlossing door Christus. Deze eerste paasnacht was een nacht van de Heer, die ijverig gehouden moest worden, maar de laatste paasnacht, waarin Christus verraden werd, (en waardoor het eerste pesach en al de andere ceremoniële inzettingen vervangen en opgeheven werden) was een nacht des Heeren, die nog veel ijveriger waargenomen moet worden, toen een juk, veel zwaarder dan dat van Egypte, van onze schouders werd genomen en ons een land, beter dan Kanaän, werd voorgesteld. Dat was een tijdelijke bevrijding, die herdacht en gevierd moest worden in hun geslachten, deze is een eeuwige verlossing, die gevierd moet worden in de lof van de heiligen tot in alle eeuwigheid.