21. Zo keerde hij, na verlof, weer van achter hem af, 1) om op plechtige wijze afscheid te nemen van het ouderlijke huis en zijn tegenwoordig beroep, en nam een juk runderen, datzelfde, waarmee hij voorheen geploegd had, en slachtte het thuis in Abel-Mehola, tot een dankoffer, en met het gereedschap van de runderen, het houten ploeggereedschap, dat hij tot bereiding van de offermaaltijd gebruikte, kookte hij hun vlees, dat hij aan het volk gaf van zijn plaats, dat in zijn vrienden en bekenden, en metgezellen in zijn beroep, en zij aten. Daarna stond hij op en volgde Elia na, en diende hem voortaan als zijn jongere. 2)
1) Een onzichtbare hand raakte Elisa's hart en neigde het op een onbegrijpelijke wijze door een verborgen kracht, zonder enige uiterlijke beweegreden tot het verlaten van de landbouw, om een discipel en een dienaar te worden en zijn medegenoot in de verdrukking. Dus zullen op de dag van de heertocht van de Heere degenen, die Hij geschikt heeft tot Zijn koninkrijk, zich bij uitstek gewillig en blijmoedig aan Hem onderwerpen (Psalm 110:3)..
Gods volk is geen geprest, maar een vrijwillig volk..
2) Menigeen hoort de woorden van de goede boodschap met vreugde...en ziet het kleinood, dat zij voorhoudt. Er zijn ogenblikken en uren dat hij het levendig voelt, dat het de mens niet zou baten, wanneer hij de gehele wereld gewon en schade leed aan zichzelf; dat echter in Christus Jezus leven en volle zaligheid is...en in plaats van een goed snel, vast besluit te nemen, zich op staande voet, zonder nevenbedoeling, onvoorwaardelijk op de genadevolle aanbieding van de Heere over te geven, gaat hij weer onder de zorgen en neigingen van deze wereld daarheen, wendt de blik van de Onzichtbare en Eeuwige weer af; het gewillige hart wordt weer onwillig en zoekt slechts een voorwendsel, hoe het deze of gene verhindering rechtvaardigen kan, hoe het dit of dat, wat door de enge poort van het hemelrijk niet kan gaan, met eer behouden bedingen kan, en zo komt het bij hem nooit tot een algehele getrouwheid en opoffering (Vergelijk Johannes 12:26)..
Tussen de hier en de in het volgende hoofdstuk vertelde gebeurtenis ligt een tijdruimte van omstreeks 5 jaar. Elia vertoonde zich aan koning Achab pas na 8 jaar weer, als hij met hem te handelen had wegens de aan Naboth begane misdaad ( 21:17vv.); desalniettemin heeft de profeet deze tijd volstrekt niet in een stil, bespiegelend leven doorgebracht, maar zoals uit 2 Koningen 2:1vv. blijkt door herstel van de door Samuël gestichte profetenscholen (1 Samuël 7:2) zich zeer werkzaam en rijk aan invloed betoond om het ontwaakte nieuwe leven, dat door zijn vernietigende slag, aan de Baälsdienst toegebracht, bij het volk opgewekt was te bevorderen, en aan de van het koningshuis uitgaande bemoeiingen tot instandhouding van de kalver- en Baäldienst een gesloten Phalanx (keurbende) tegenover te stellen. Terwijl de in de geschiedenis van David voorkomende profeet Gad (1 Samuël 22:5) naar alle vermoeden tot de profetenvereniging in Rama behoorde, treffen wij juist van de regeringstijd van deze koning af geen spoor meer aan van dergelijke verenigingen; veeleer had de beoefening van de dichtkunst toen een plaats gevonden in David's bemoeiingen voor de openbare godsdienst (1 Kronieken 26:1,5), en de profeten en zieners in de bijzondere zin van het woord nemen zo'n plaats ten opzichte van de koning in, dat men met enig recht van "hofprofeten" spreken kan: maar men mag dit niet als een afhankelijke stelling op welke wijze ook opvatten, zodat het profetendom zijn wachters- en bestraffingsambt tegenover de koning prijs zou hebben gegeven. Onder Salomo, die met medewerking van zijn opvoeder Nathan tot de troon verheven was, schijnt dat weliswaar voor een langere tijd op de achtergrond getreden te zijn; het verhief zich echter tegen het einde van zijn regering terstond weer des te dreigender in Ahia van Silo, toen de koning tot afval van de HEERE overneigde, en bewees zijn macht ook over het volk in het woord van de profeet Semaja, als het er na de deling van het rijk op aankwam, het ondernemen van Juda tegen de 10 stammen te verhinderen ( 11:11vv. 12:12vv.). In het rijk van Juda nu, waar het ware heiligdom met de wettelijke Godsverering en de rechtmatige priesterschap zijn zetel had en de troon in geregelde erfopvolging aan een dynastie (vorstenhuis) toebehoorde, die door de op haar rustende beloften geheiligd was, en waaruit meerdere vrome, godgezinde heersers voortkwamen, konden de profeten bij tijd en wijle in alle eendracht met de priesters en kortingen samenwerken, en in het bijzonder bij de herhaald intredende godsdienstige reformaties naast de koningen zich tot het geestelijke en wetenschappelijke bepalen; zij hadden aan de bestaande theocratische inrichtingen houvast genoeg, om buitengewone steun en de formele vorming van nieuwe profetenverenigingen te kunnen ontberen. Vandaar dat wij altijd slechts enkele profeten zien optreden. Semaja onder Rehabeam (2 Kronieken 11:2vv.; 12:5vv.), Azaria, zoon van Oded, en Hanani onder Asa (2 Kronieken 15, 16), Jehu, zoon van Hanani, Eliëzer en de Leviet Jehazeël onder Josafat (2 Kronieken 19:2; 20:14,37). Zacharia onder Joas (2 Kronieken 24:19vv.) en onder de opvolger van de laatste, onder koning Amazia, twee niet nader aangewezen profeten (2 Kronieken 25:7vv., 15vv.). Van die tijd af begint dan een nieuwe periode in de ontwikkelingsgeschiedenis van het oudtestamentische profeetschap, waarvan uitvoeriger gesproken zal worden bij 2 Koningen 14:22.
Terwijl nu in Juda, gedurende de eerste 160-170 jaar sinds de scheuring van de beide rijken de werkzaamheid van de profeten in het algemeen slechts een afgezonderde is en bij die van koningen en priesters terugtreedt, zodat b.v. in de commissie, die Josafat ten behoeve van het godsdienstonderwijs onder het volk in het land laat rondreizen, zich geen profeten bevinden (2 Kronieken 17:7vv.) en ten tijde, dat Athalia beproeft de rol van haar moeder Izebel in het rijk vol te houden, de redding alleen door de hand van de hogepriester gebeurt (2 Kronieken 22:10-24:3), zo is daarentegen het hoofdtoneel van de werkzaamheid van de profeten gedurende die tijdruimte het rijk Israël, en beweegt zich de geschiedenis van dat rijk grotendeels om de politiek-godsdienstige strijd van de profeten tegen de afvallige koningen. Deze strijd werd reeds onder Jerobeam te voorschijn geroepen daardoor, dat hij, om zijn troon te bevestigen, de staatkundige scheiding van de stammen ook tot een godsdienstige maakte en afzonderlijke heiligdommen voor de HEERE met afgodische beeldendienst aan de beide grenzen van zijn rijk oprichtte. Van de priesters en Levieten en andere burgers, die aan zo'n afval van het wettige heiligdom geen deel mochten hebben, had hij zich slim weten te ontdoen (2 Kronieken 11:13vv.). En enkele profeten, die nog in het land waren, hebben wellicht zoals uit 13:11vv. kan opgemaakt worden, bij de invoering van zijn nieuwigheden gezwegen, en zich hiermee gerustgesteld, dat toch de dienst van de HEERE nog altijd de eigenlijke staatsgodsdienst was, en de nieuwe vorm daarvan, de kalverdienst, nog menige oude wettelijke instelling bewaard had; ja, deze kalverdienst had zelfs haar eigen profeten, die haar voorstonden en haar in de ogen van het volk de goddelijke wijding proberen te verschaffen ( 22:6vv.). Aanstonds daarop echter trad de man Gods uit Juda (1 Koningen 13:1vv.) op als wachter van de theocratie, en verheft zich als wreker van de beledigde Majesteit van de HEERE en van Zijn gebod; aan zijn zijde stond, door zijn gewelddadige dood tot nieuwe geloofsmoed opgewekt, de oude profeet uit Beth-el ( 13:31vv.), en dezelfde Ahia van Silo, die Jerobeam zijn verheffing had verkondigd, profeteerde in die dagen, toen hij van ouderdom blind geworden was, hem ook de nabij zijnde uitroeiing van zijn huis ( 14:1vv.). Eveneens die profeet uit Juda, die Jehu, de zoon van Hanani, wiens naam wij reeds noemden onder de profeten van dit rijk ( 16:1,7), spreekt de vloek uit tegen Baësa, de stichter van de tweede dynastie. Als nu met de regering van Omri en zijn zoon Achab in de godsdienstige toestand van het rijk van de tien stammen een grote schrede op de baan van de achteruitgang gedaan wordt, in zoverre als de verering van de HEERE voortaan geen staatsgodsdienst meer bleef, maar in haar plaats de Phoenicische Baäl- en Ascheradienst tot openbare en algemene godsdienst gemaakt zou worden, zodat ondertussen het volk een lijdende houding aannam en op twee gedachten hinkte, de nog aanwezige profeten van de Heere bloedig vervolgd werden, en zij, die aan de vervolging ontkwamen, zich in holen verborgen, dan onderneemt Elia de Thisbieter het, die nog alleen op het toneel is, met één slag het bolwerk van de afgodendienst omver te werpen; en dat zijn werk niet vruchteloos gebleven is, zoals hij meent, bewijst niet alleen de menigte van de profetenzonen, die, als hij na zijn terugkeer van de Horeb de oude profetenscholen weer herstelt, zich om hem verzamelen (1 Koningen 2:1vv.), maar ook de omstandigheid, dat in de volgende tijd profeten ongedeerd in Samaria zich kunnen ophouden, en openlijk met de koning verkeren, bij wie de gebeurtenis op Karmel naar het schijnt niet zonder enige invloed geweest is ( 20:13,22,28).
Dergelijke profetenscholen vinden wij te Gilgal, Beth-el en Jericho. De leden daarvan stonden tot Elia en diens opvolger Elisa, die de instelling verder begunstigde en volmaakte, wel waarschijnlijk in een nog nauwere betrekking dan de kwekelingen van de oude profetenscholen tot Samuël gestaan hadden; tenminste schijnt de steeds op hen toegepaste naam, "de zonen van de profeten" dit aan te duiden, en ook overigens is waarschijnlijk de inrichting van de verenigingen heel anders geweest dan vroeger, want het kwam nu in de eigenlijke zin van het woord meer op scholen aan, op geestelijke seminaries, waarin de kwekelingen als zij nog ongetrouwd waren, dicht bij elkaar woonden en voor hun bijeenkomsten een gemeenschappelijk lokaal hadden dat hun volgens 2 Koningen 4:30 ook voor het gemeenschappelijk middagmaal diende; de gehuwden daarentegen woonden in kleine huizen in de nabijheid van het seminarie en hadden hun eigen huishouding (2 Koningen 4:1vv.
).De tucht in deze scholen had voornamelijk tot doel op te leiden tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan het Goddelijke woord, tot algehele overgave aan het van God gegeven bevel ( 20:35); ook schijnt er onder hen, omdat het volk van het noordelijke rijk van het wettige heiligdom te Jeruzalem afgescheiden was, een dienst bestaan te hebben, die het gemis van de dienst te Jeruzalem enigszins vergoeden kon, bij welke dienst de vromen op Sabbat en met de Nieuwe manen met hen zich verenigden tot onderlinge stichting (2 Koningen 4:23). Ja, zelfs is het niet onwaarschijnlijk, dat de vromen in het rijk van de tien stammen de in de Wet voor de Levitische priesters bestemde tienden voor de profeten in die seminaries brachten (2 Koningen 4:42vv.), omdat de kwekelingen in het algemeen, wat hun onderhoud betreft, bij voorkeur van vrijwillige bijdragen leefden. Het herleven van de Baäl- en Ascheradienst in het rijk was door de juist beschreven inrichting voorkomen; maar tot een doortastende hervorming, zodat ook de kalverdienst zou afgeschaft zijn en de zuivere dienst van de HEERE hersteld, kwam het evenwel niet. Van daar dat juist de staat in die dagen, waarin hij zich in vroeger nooit gekende bloei mocht verheugen, onder Jerobeam II, met zijn koningen rijp werd voor het strafgericht, en wel in zo'n mate, dat de profeten van nu aan uitsluitend met dit gericht bezig zijn, en in Israël, evenals in Juda, voortaan hun geschriften in de engere zin of de vervaardiging van de eigenlijke Boeken van de Profeten een aanvang neemt (2 Koningen 14:29).
Nog een andere gebeurtenis moeten wij hier vermelden, die eveneens voorvalt in de tijd tussen de voorgaande en de volgende afdeling; het is de verzwagering van het koningshuis van Juda met het koningshuis van Israël; naar onze berekening viel het huwelijk van Joram, de zoon van Josafat met Athalia, de dochter van Achab en Izebel, voor in het jaar 905 v. Chr. (2 Kronieken 18:1). Juist de omkering van Achab van de weg van de grove afgoderij kon de vrome Josafat, naar het ons toeschijnt, bewegen in plaats van de hiertoe aanwezige staat van oorlog met betrekking tot het noordelijke rijk een toestand van vrede in het leven te roepen. Of hij hoopte door die verbintenis in de toekomst eens het rijk van de tien stammen op de weg van vrede weer aan het huis van David te brengen, kunnen wij niet zeggen; was het inderdaad zijn verwachting, dan heeft hij zich, zoals de verdere loop van de geschiedenis leren zal, zeer bedrogen. Wel echter heeft een andere hoop hem niet geheel teleurgesteld, namelijk deze, dat hij de zwakke Achab een tegenwicht zou zijn tegen de invloed van diens goddeloze vrouw; want Achab toont zich werkelijk een beter man dan in de eerste twaalf jaren van zijn regering..