1 Koningen 12:16-24
Wij hebben hier de afscheuring van de tien stammen van het koninkrijk van het huis van David. Om dit tot stand te brengen,
I. Was het volk stoutmoedig en vastberaden in hun opstand. De tergende taal, die Rehabeam tegen hen gevoerd had, werd zeer euvel door hen opgenomen. Zij waren in toorn ontstoken om zijn dreigementen, en kwamen tot de gevolgtrekking dat een regering, die reeds bij de aanvang zo uiterst hoogmoedig was, op den duur ondraaglijk zou wezen, en daarom kwamen zij terstond tot dit besluit: Wat deel hebben wij aan David? vers 16. Zij spreken hier op zeer onbetamelijke wijze van David, de grote weldoener van hun volk, hem de zoon van Isai noemende, geen groter of aanzienlijker man dan zijn naburen. Hoe spoedig zijn goede mannen en hun goede diensten aan het publiek vergeten! Ook was de roekeloosheid van hun besluit zeer afkeurenswaardig. Mettertijd en met goed beleid zouden zij het oorspronkelijk verdrag met Rehabeam hebben kunnen vaststellen ter wederzijdse voldoening. Indien zij eens een onderzoek hadden ingesteld naar de personen, die aan Rehabeam deze raad hebben gegeven, en maatregelen hadden genomen om die boze raadslieden van hem te verwijderen, de breuk zou voorkomen hebben kunnen worden, maar overigens was hun ijver voor vrijheid en eigendom wat aan een vrij volk betaamde. Israël is geen knecht, geen ingeborene des huizes. Waarom zou hij dan ten roof worden? Jeremia 2:14. Zij zijn gewillig en bereid geregeerd te worden, maar niet getiranniseerd te worden, bescherming wekt trouw op, maar onderdrukking kan dat niet. Geen wonder dat Israël van den huize Davids afvalt, vers 19, als het huis van David afvalt van het grote doeleinde van zijn verhoging, hetwelk was dienaren Gods te zijn hun ten goede. Maar aldus tegen het zaad te rebelleren van David die God tot het koninkrijk had geroepen terwijl Hij het ten erve had gegeven aan diens geslacht, en een andere koning aan te stellen tegenover dat geslacht, was een grote zonde. Zie 2 Kronieken 13:5-8. Hiernaar verwijst God, Hosea 8:4. Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij. En het wordt hier vermeld tot lof van de stam van Juda, dat zij het huis van David volgden, vers 17, 20, en voor zoveel blijkt vonden zij Rehabeam beter dan zijn woord, en heeft hij niet geregeerd met die harde strengheid, waarmee hij eerst gedreigd had.
II. Rehabeam was onvoorzichtig in de verdere behandeling van de zaak en nog meer verdwaasd. Hij had zich dwaas in drijfzand gestort, en iedere poging om er uit te komen, deed er hem nog dieper in zinken.
1. Hij handelde zeer onbedachtzaam door Adoram te zenden, die over de schatting was, om met hen te onderhandelen, vers 18. De schatting was de zaak, waarover, en vanwege die schatting was Adoram de persoon over wie zij het meest klaagden. De aanblik van hem, wiens naam onder hen verafschuwd werd, verbitterde hen, en ontstak hen in woede en toorn. Hij was iemand, die zij niet eens geduldig konden aanhoren, in een volksoploop stenigden zij hem met stenen dat hij stierf. Rehabeam was nu even ongelukkig in de keus van zijn gezant, als hij tevoren in de keus van zijn raadslieden is geweest.
2. Sommigen denken dat het ook onbedachtzaam van hem was om af te deinzen en met zoveel haast naar Jeruzalem terug te keren, want zodoende verliet hij zijn vrienden, en gaf hij het voordeel aan zijn vijanden, die wel in ergernis en ontevredenheid naar hun tenten waren gegaan, maar niet gepoogd hebben Jerobeam koning te maken, voordat Rehabeam was weggegaan, vers 20. Zie hoe snel deze dwaze vorst van het een uiterste naar het andere oversloeg. Hij dreigde en blufte en voerde een hoge toon, toen hij dacht heer en meester te zijn, maar sloop weg en maakte een armzalig figuur, toen hij zich in gevaar zag. Het is iets geheel gewoons dat zij, die het hooghartigst zijn in voorspoed, het laagst en verachtelijkst zijn in tegenspoed.
III. God verbood hem een poging te doen om het verlorene door het zwaard te herwinnen. Wat geschied was, was van God, die niet zou toelaten:
1. Dat het ongedaan zou worden gemaakt hetgeen geschieden zou indien Rehabeam de overhand behield en de tien stammen tot onderwerping bracht. Noch:
2. Dat meer zou gedaan worden ten nadele van het huis van David, dat geschieden zou indien Jerobeam overwinnaar bleef en de twee stammen tot onderwerping bracht. De zaak moet dus blijven zoals zij is, en daarom verbiedt God de strijd.
A. Het was kloekmoedig van Rehabeam om de muiters door kracht van wapens tenonder te willen brengen. Zijn moed keerde weer tot hem toen hij te Jeruzalem was gekomen, vers 21. Daar zag hij zich onder zijn vrienden, die hem edelmoedig bleven aanhangen en voor hem wilden optreden. Juda en Benjamin (die de Heere vreesden en de koning, en zich niet vermengden met hen, die naar verandering staan) brachten terstond een leger op de been van honderd en tachtig duizend man, tot herstel van het recht van hun koning op de tien stammen, en waren besloten om hem met hun leven en bezitting te steunen, daar zij niet zo'n neiging en gezindheid hadden tot klagen als de anderen.
B. Het was nog kloekmoediger van Rehabeam om er van af te laten, toen God hem door Zijn profeet gebood de wapens neer te leggen. Hij heeft niet gedwee een koninkrijk willen verliezen, want dan zou hij de titel van vorst onwaardig zijn geweest, maar hij wilde er niet voor strijden in tegenstand met God want dan zou hij de titel van Israëliet onwaardig zijn geweest. Voort te gaan met deze strijd zou niet slechts geweest zijn tegen hun broederen te strijden, vers 24 die zij behoorden lief te hebben, maar te strijden tegen God, aan wie zij zich behoorden te onderwerpen, deze zaak is van Mij geschied. Deze twee overwegingen moeten ons verzoenen met onze verliezen en verdrietelijkheden: dat God er de werker van is, en onze broeders er slechts de werktuigen van zijn, zo laat ons dan niet op wraak zinnen. Rehabeam en zijn volk hoorden het woord des Heeren, dankten het leger af, en berustten. Hoewel zij naar menselijke waarschijnlijkheid een goed uitzicht hadden op voorspoed, want hun leger was talrijk en vastberaden, Jerobeams partij zwak en wankelend, en hoewel het hun ten smaad zal zijn onder hun naburen om zoveel van hun sterkte te verliezen, zonder eer. enkele poging te wagen om het te herwinnen, hebben zij toch:
a. Acht geslagen op het bevel Gods, ofschoon het hun slechts door een arme profeet was gezonden. Als wij Gods wil kennen, moeten wij ons er aan onderwerpen, al druist dit ook nog zo in tegen onze zin en wil.
b. Gingen zij te rade met hun belang, bedenkende dat zij, hoewel alle voordelen hebbende, zelfs het voordeel van het recht aan hun zijde te hebben, toch niet voorspoedig konden zijn, als zij streden in ongehoorzaamheid aan God. Het was beter stil te zitten, dan op te staan en te vallen. Onder de volgende regering heeft God hun toegelaten te strijden, en hun de overwinning gegeven, 2 Kronieken 13, maar nu niet.