2 Kronieken 10:12-19
1. Wij kunnen hier leren dat, als er gissing is onder het volk, het door heftige maatregelen van kwaad tot erger gaat. Ruwe antwoorden, zoals Rehabeam er hier een aan het volk gaf wekken slechts toorn op en gieten olie in het vuur.
In een storm moet de stuurman het schip met vaste hand sturen. Velen zijn gedreven naar het kwaad, dat zij niet bedoeld hebben, doordat zij te streng behandeld werden wegens hetgeen zij wèl bedoeld hebben.
2. Dat, welke ook de bedenksels en raadslagen van de mensen zijn, God door die allen Zijn eigen werk doet, het woord vervult, dat Hij heeft gesproken, waarvan geen tittel of jota ter aarde zal vallen.
De oorzaak van des konings hardnekkigheid en onnadenkendheid was van God, opdat de HEERE Zijn woord bevestigde, hetwelk Hij door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had, vers 15.
Het is volstrekt geen verontschuldiging van Rehabeams dwaasheid vermindert de schuld niet van zijn hoogmoed en hartstocht, dat het Gode behaagd heeft er Zijn eigen doeleinden door te dienen.
3. Dat wereldse rijkdom en heerschappij zeer onbestendige zaken zijn. Salomo regeerde over geheel Israël en had, naar men zou denken, genoeg om geheel de monarchie gedurende vele eeuwen aan zijn geslacht te verzekeren en toch is hij nog nauwelijks koud in zijn graf of tien van de twaalf stammen zijn van zijn zoon afgevallen. Al de goede diensten, die hij aan Israël gedaan heeft, zijn nu vergeten. Wat deel hebben wij aan David?
Aldus wordt de heerschappij van Christus door velen verworpen, in weerwil van alles dat Hij gedaan heeft om de kinderen van de mensen voor eeuwig aan zich te verplichten: Wij willen: niet dat deze over ons koning zij! zeggen zij. Maar die rebellie zal gewis op hun verderf uitlopen.
4. Dat God dikwijls de ongerechtigheid van de vaderen bezoekt aan de kinderen. Salomo verlaat God, en daarom wordt niet hij, maar zijn zoon na hem, verlaten door het grootste deel van zijn volk.
Zo heeft God, door de straf van de zonde lang te doen duren, haar merkbaar te laten blijven na de dood des zondaars, het boze er van willen aanduiden en misschien ook een wenk willen geven van het eeuwigdurende van haar straf. Hij, die tegen God zondigt, doet niet slechts onrecht aan zijn eigen ziel, maar doet ook zijn nakomelingen misschien meer onrecht dan hij wel denkt.
5. Dat God, als Hij Zijn bedreigingen vervult, tegelijker tijd zal zorg dragen dat de beloften niet ter aarde vallen. Als Salomo's ongerechtigheid gedacht wordt en zijn zoon er de tien stammen om verliest, dan is Davids Godsvrucht niet vergeten, noch de belofte, die hem gedaan is, maar om de wille daarvan blijven twee stammen voor zijn kleinzoon behouden.
De fouten van de heiligen zullen geen belofte verijdelen, die aan Christus, hun Hoofd, gedaan is. Zij zullen gekastijd worden, maar het verbond zal niet worden verbroken, Psalm 89:31-35.