1 Johannes 4:17-21
Nadat de apostel tot heilige liefde op deze wijze heeft opgewekt en aangedrongen door het grote voorbeeld en de beweegreden er toe-de liefde die is en blijft in God zelven-gaat hij voort om haar op andere gronden aan te bevelen, en wel in haar beide takken: de liefde tot God en de liefde tot onzen broeder of Christen-naaste.
I. Met betrekking tot de liefde voor God-de eerste en hoogste van alle beminnelijkste wezens en voorwerpen -,die alle volheid van schoonheid, voortreffelijkheid en beminnenswaardigheid in zich zelven heeft, en aan alle andere wezens verleent wat hen goed en beminnelijk maakt. De liefde tot God wordt hier aanbevolen om de volgende redenen.
1. Zij zal ons vrede en voldoening in het gemoed geven in den dag, waarin wij die het meest zullen nodig hebben, en wanneer zij voor ons de hoogst-denkbare zegening zullen zijn. Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in den dag des oordeels, vers 17. Er komt een algemene oordeelsdag. Gelukkig degenen, die een vertrouwelijke heilige vrijmoedigheid voor den Rechter zullen hebben in dien dag, die instaat zullen zijn om hun hoofden op te heffen en Hem in het aangezicht te zien, omdat zij Hem als hun vriend en voorspraak kennen. Gelukkig degenen, die heilige vrijmoedigheid en verzekering hebben in het vooruitzicht van dien dag, die uitzien naar Zijn komst en naar de verschijning van den Rechter! Dat doen en dat mogen doen zij die God liefhebben. Hun liefde tot God geeft hun verzekering van Gods liefde voor hen, en bijgevolg van de vriendschap van Gods Zoon. Hoe meer wij onzen vriend liefhebben, vooral indien wij er zeker van zijn dat hij het weet, des te meer kunnen wij vertrouwen op zijne liefde. Omdat God goed en liefhebbend is, en getrouw blijft aan Zijne belofte, kunnen wij gemakkelijk van Zijne liefde voor ons overtuigd worden, en van de gezegende gevolgen Zijner liefde evenzeer, wanneer wij kunnen zeggen: Gij weet alle dingen: gij weet dat ik U liefheb. En de hoop beschaamt niet, onze hoop, die bevestigd wordt door de overweging van Gods liefde, zal ons niet teleurstellen, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door den Heiligen Geest, die ons gegeven is, Romeinen 5:5. Waarschijnlijk wordt hier met de liefde Gods bedoeld onze liefde tot God, die in onze harten is uitgestort door den Heiligen Geest, zij is de grondslag voor onze hoop en voor de verzekerdheid dat onze hoop ten einde toe zal bestaan. Of: indien met de liefde Gods bedoeld wordt het gevoel en het genot van Zijne liefde voor ons, dan wordt daardoor noodzakelijkerwijze in begrepen dat wij Hem liefhebben, en inderdaad, het gevoel en de betoning van Zijne liefde voor ons stort in onze harten liefde voor Hem, en daarom hebben wij vertrouwen in Hem en genieten in Hem vrede en vreugde. Hij zal de kroon der rechtvaardigheid geven aan allen, die Zijne verschijning liefgehad hebben. En wij hebben vrijmoedigheid voor Christus op grond van onze gelijkvormigheid aan Hem, omdat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld, vers 17. De liefde heeft ons aan Hem gelijkvormig gemaakt, want Hij was de grote liefhebber van God en de mensen, Hij heeft ons geleerd om dat in onze mate ook te zijn, en Hij zal Zijn eigen beeld niet verloochenen. De liefde leert ons ook Hem gelijkvormig te zijn in het lijden, wij lijden voor Hem en met Hem, en kunnen daarom niet anders dan hopen en vertrouwen, dat wij ook met Hem verheerlijkt zullen worden, 2 Timotheus 2:12.
2. Zij voorkomt of verdrijft het onaangename gevoel en het gevolg van slaafse vrees.
Er is in de liefde gene vrees, vers 18, waar de liefde regeert, houdt de vrees op. Wij moeten hier wèl onderscheiden tussen vreze (eerbied) en vrees (bevreesd zijn), tussen de vreze Gods en het vrezen voor Hem. De vreze Gods wordt dikwijls genoemd en aanbevolen als het beginsel van den godsdienst, 1 Pet. 2:17, Openbaring 14:7, en zij is hoge waardering en verering voor God, Zijn gezag en regering. Deze vreze is bestaanbaar met liefde, ja met volmaakte liefde, zij woont zelfs in de engelen zelven. Maar er is ook een gevoel van vrees voor God, dat ontstaat uit het bewustzijn van schuld, en het gezicht van Zijn wrekende volkomenheden. In het zien van deze, komt God voor als een verterend vuur, en deze vrees wordt hier bedoeld: Daar is in de liefde gene vrees. De liefde acht haar voorwerp goed en uitnemend, en derhalve beminnelijk en waard bemind te worden. De liefde beschouwt God als het hoogste goed en boven alles beminnelijk en ons liefhebbende in Christus, en legt daarom de vrees af en heeft blijdschap in Hem. Naarmate de liefde groeit, neemt ook de blijdschap toe, zodat de volmaakte liefde de vrees buiten drijft. Zij, die God volmaakt liefhebben, zijn door Zijn natuur, Zijn raad, Zijn verbond, volkomen verzekerd van Zijne liefde, en bijgevolg vrij, geheel vrij van enige ontmoedigende, vreesachtige verwachting van Zijn straffende macht en gerechtigheid, alsof die tegen hen gewapend zouden zijn. Zij weten wel dat God hen liefheeft en daarom zegepralen zij in Zijne liefde. Dat de volmaakte liefde de vrees buiten drijft, bewijst de apostel daardoor, dat hetgeen de pijn buiten drijft ook de vrees uitsluit. Want de vrees heeft pijn, vers 18, vrees is een pijnigende, verontrustende gewaarwording, vooral de vrees voor een almachtigen, wrekenden God. Maar de volmaakte liefde sluit de pijn buiten, want zij geeft aan de ziel een volkomen berusting en eenswillendheid met den geliefde, en dus sluit de volmaakte liefde de vrees buiten. Of: wat hier mede gelijk staat, die vreest is niet volmaakt in de liefde, vers 18. Dat is een bewijs dat onze liefde ver van volmaakt is, omdat onze twijfelingen, en angsten en verkeerde voorstellingen van God zo vele en velerlei zijn. Laat ons verlangen en haasten naar die wereld van volmaakte liefde, waar onze blijdschap in God evenzeer als onze liefde volmaakt zijn zal.
3. De bron en oorsprong van die liefde is de voorafgaande liefde van God. Wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst liefgehad heeft, vers 19. Zijne liefde is de ontvlamming, de oorzaak, de zedelijke reden van de onze. Wij kunnen niet anders dan een God liefhebben, die zo goed is, die de eerste was in de daad en in het werk der liefde, die ons liefhad toen er niets beminnenswaardigs aan of in ons was, die ons tot zo hogen trap liefhad, dat Hij onze liefde zocht en er om vroeg ten koste van het bloed van Zijn eigen Zoon, en zich zo neder buigt dat Hij ons laat bidden om ons met Hem te laten verzoenen. Hemel en aarde moeten verbaasd staan over zo grote liefde. Zijne liefde is de voortbrengende oorzaak van de onze. Naar Zijnen wil (of uit Zijn eigen, vrijen, liefhebbenden wil) heeft Hij ons gebaard. Die Hem liefhebben, werken alle dingen mede ten goede, degenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Zij, die God liefhebben, zijn dus naar Zijn voornemen geroepen, Romeinen 8:28. En tot welk voornemen zij geroepen zijn, wordt duidelijk uit hetgeen er op volgt: Die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd om den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn. De goddelijke liefde plantte de liefde in onze zielen, de Heere moge onze harten meer en meer richten tot de liefde Gods, 2 Thessalonicenzen 3:5.
II. De liefde tot onzen naaste en broeder in Christus wordt op de volgende gronden voorgeschreven.
1. Zij behoort bij en is eenstemmig met onze Christelijke belijdenis. In de belijdenis van het Christendom belijden wij de liefde tot God als den wortel van den godsdienst. Die zegt, of belijdt, dat hij God liefheeft, Zijn naam, Zijn huis, Zijn eredienst liefheeft, en zijn broeder haat, dien hij om Gods wille moest liefhebben, die is een leugenaar, vers 20, hij maakt daardoor zijn belijdenis tot een leugen. Dat zo iemand God niet liefheeft, bewijst de apostel daardoor, dat het gewoonlijk gemakkelijker is lief te hebben wat wij zien dan wat wij niet zien. Want die zijn broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, dien hij niet gezien heeft? vers 19. Het oog is gewoon tot het hart zich te wenden, ongeziene dingen grijpen de ziel minder aan, en dus ook het hart. De onbegrijpelijkheid van God komt voor een goed deel voort uit Zijne onzichtbaarheid, het lid van Christus heeft veel zichtbaars van God in zich. Hoe zou dan de hater van een zichtbaar beeld Gods kunnen voorwenden dat hij het onzichtbare origineel, den onzienlijken God, liefheeft?
2. Zij beantwoordt aan een uitdrukkelijke wet van God en is er het rechte gevolg van: Dit gebod hebben wij van Hem, dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe, vers 21. God heeft Zijn beeld meegedeeld in de natuur en in de genade, en wil daarom dat wij er onze liefde aan wijden. Wij moeten God oorspronkelijk en boven alles liefhebben, en anderen in Hem, omdat zij door Hem aangenomen zijn en deel aan Hem hebben. En omdat onze Christenbroeders van God een nieuwe natuur en uitnemende voorrechten verkregen hebben, en deel aan God hebben zowel als wij zelven, kan het niet anders dan een natuurlijke, geleidelijke verplichting zijn, dat die God liefheeft ook zijn broeder liefhebbe.