Johannes 13:31-35
Dit, en hetgeen volgt tot aan het einde van hoofdstuk 14 was Christus' tafelgesprek met Zijne discipelen. Toen het avondmaal voorbij was, ging Judas uit, maar wat deden nu de Meester en Zijne discipelen, die hij verlaten had terwijl zij nog aanzaten? Zij legden zich toe op nuttige gesprekken, om ons te leren, zoveel wij kunnen de gesprekken met onze vrienden aan tafel dienstbaar te maken aan den Godsdienst. Christus begint dit gesprek. Hoe ijveriger wij zijn om nederig op te wekken tot een goede rede, die nuttig is tot stichting, hoe meer wij gelijkvormig zijn aan Jezus Christus. Diegenen inzonderheid, die het gezelschap beheersen, en naar wie de mensen luisteren, behoren den invloed, dien zij in andere opzichten hebben, te gebruiken om hun goed te doen. Onze Heere Jezus voert dan nu gesprekken met hen (en waarschijnlijk heeft Hij over veel meer met hen gesproken, dan hier wordt meegedeeld):
I. Betreffende de grote verborgenheid van Zijn eigen dood en lijden, waaromtrent zij nu nog zozeer in duisternis verkeerden, dat zij er zich niet toe konden brengen om de zaak zelf te verwachten, en nog veel minder hebben zij er de betekenis van begrepen. Daarom heeft Christus er hun zodanige onderrichting over gegeven, dat de ergernis van het kruis er door weggenomen werd. Christus heeft dit gesprek niet begonnen voordat Judas uitgegaan was, want hij was een valse broeder. De tegenwoordigheid van goddelozen is dikwijls een beletsel voor een goed gesprek. Toen Judas uitgegaan was, zei Christus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, nu Judas, die een vlek was in hun liefdemaal en een ergernis voor hun gezin, ontdekt en uitgebannen is, nu is de Zoon des mensen verheerlijkt. Christus wordt verheerlijkt door de uitzuivering van Christelijke gezelschappen, bederf in Zijne kerk is Hem een smaad, de uitzuivering van dat bederf neemt den smaad weg. Of liever: nu Judas heengegaan is om de raderen in beweging te brengen voor Zijne terdoodbrenging, en de zaak waarschijnlijk spoedig haar beslag zal krijgen: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, betekenende: "Nu wordt Hij gekruisigd."
1. Hier is iets, waarin Christus hen onderwijst nopens Zijn lijden, dat zeer troostrijk was.
a. Dat Hij zelf er in verheerlijkt zou worden. Nu zal de Zoon des mensen blootgesteld worden aan de grootste versmaadheid, onteerd worden door de lafhartigheid Zijner vrienden en de onbeschoftheid Zijner vijanden, evenwel: nu wordt Hij verheerlijkt, want, nu zal Hij een heerlijke overwinning behalen over Satan en al de machten der duisternis, om hen te beroven en over hen te zegevieren. Nu gordt Hij zich aan om ten strijde te trekken tegen deze vijanden van God en den mens, met even veel verzekerdheid, alsof Hij zich reeds losmaakte. Nu zal Hij een heerlijke verlossing werken voor Zijn volk, zal Hij hen door Zijn dood met God verzoenen, en een eeuwige gerechtigheid en gelukzaligheid voor hen aanbrengen, nu zal Hij het bloed storten, dat een onuitputtelijke fontein van blijdschap en zegening zal wezen voor alle gelovigen. Nu zal Hij een heerlijk voorbeeld geven van zelfverloochening en lijdzaamheid onder het kruis, van moed en verachting der wereld, van ijver voor de ere Gods en van liefde tot de zielen der mensen, waardoor Hij tot in eeuwigheid bewonderd en geëerd zal worden. Christus is verheerlijkt geworden in vele wonderen door Hem gewrocht, en toch spreekt Hij van nu verheerlijkt te worden in Zijn lijden, alsof die verheerlijking groter was dan alle andere in den staat Zijner vernedering.
b. Dat God de Vader er in verheerlijkt zal worden. Het lijden van Christus was de voldoening van Gods gerechtigheid, en aldus is God er in verheerlijkt geworden. Een ruime voldoening werd er door gegeven voor het onrecht Hem, door de zonde der mensen, aangedaan in Zijne eer. Het doel der wet werd volkomen bereikt, en de eer en heerlijkheid Zijner regering ten volle gehandhaafd. Het was de openbaring van Zijne heiligheid en genade. De hoedanigheden Gods worden schitterend gezien in de schepping en in de voorzienigheid, maar nog veel meer in het werk der verlossing, 1 Corinthiërs 1:24, 2 Corinthiërs 4:6. God is liefde en hierin heeft Hij Zijne liefde. jegens ons bevestigd.
c. Dat Hij zelf na dit lijden grotelijks verheerlijkt zou worden, uit hoofde dat God er grotelijks door verheerlijkt is geworden, vers 32. Merk op hoe Hij hierover uitweidt. Hij is er van verzekerd, dat God Hem zal verheerlijken, en wie God verheerlijkt, is in waarheid en werkelijkheid verheerlijkt. De hel en de aarde spanden samen om Christus te vernederen, maar God besloot Hem te verheerlijken, en Hij deed het. Hij verheerlijkte Hem in Zijn lijden door de verbazingwekkende tekenen in hemel en op aarde, waarmee het gepaard ging, en die zelfs aan de kruisigers de erkenning ontwrongen, dat Hij de Zoon van God was. Maar Hij heeft Hem inzonderheid verheerlijkt na Zijn lijden, toen Hij Hem aan Zijne rechterhand heeft gesteld, en Hem een naam heeft gegeven, welke boven allen naam is. Dat Hij Hem verheerlijken zal in zich zelven. Hetzij: ten eerste. In Christus zelven. Hij zal Hem verheerlijken in Zijn eigen persoon, en niet slechts in Zijn koninkrijk onder de mensen. Dat onderstelt Zijn spoedige verrijzenis. Een gewoon persoon kan na zijn dood geëerd worden, in zijne gedachtenis of in de nakomelingschap, maar Christus werd geëerd in zich zelven. God zal Hem verheerlijken bij Hem zelven, zoals dit nader verklaard is in Hoofdstuk 17:5. Hij zal. zitten met den Vader op Zijn troon, Openbaring 3:21. Dat is ware heerlijkheid. Hij zal Hem terstond verheerlijken. Hij zag op de vreugde en heerlijkheid, die Hem voorgesteld waren, niet slechts als groot, maar als nabij, en op Zijne smart en Zijn lijden als welhaast voorbij zijnde. Goede diensten, aan aardse vorsten bewezen, blijven soms lang onbeloond, maar Christus heeft Zijn loon terstond ontvangen. Er verliepen slechts veertig uren (of nog niet eens) tussen Zijn dood en Zijne opstanding, en veertig dagen van toen tot aan Zijne hemelvaart, zodat met recht gezegd kon worden, dat Hij terstond verheerlijkt werd, Psalm 16:10. En dit alles uit hoofde, dat God in en door Zijn lijden verheerlijkt werd, daar God in Hem verheerlijkt is, ere ontvangt uit Zijn lijden, zal God Hem op gelijke wijze in Hem zelven verheerlijken en Hem ere geven. In de verhoging van Christus werd Zijne vernedering in aanmerking genomen, en er werd Hem ene beloning voor gegeven. Hij heeft zich zelven vernederd. daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd. Is de Vader door den dood van Christus zo grotelijks verheerlijkt, dan kunnen wij er ons van verzekerd houden, dat de Zoon niet minder verheerlijkt zal worden. Zie het verbond tussen hen, Jesaja 53:12. Zij, die er zich op toeleggen om God te verheerlijken, zullen ongetwijfeld eenmaal de zaligheid deelachtig worden van bij Hem verheerlijkt te worden.
2. In het onderricht, dat Christus hun geeft betreffende Zijn lijden is hier ook iets ter opwekking, want zij waren nog traag van hart om het te verstaan, vers 33:Kinderkens, nog een kleinen tijd ben Ik bij u, en verder. Christus spreekt hun van twee dingen, om Zijne discipelen op te wekken om van de gelegenheid, die zij nu hebben, een goed gebruik te maken, twee ernstige woorden:
a. Dat zij zullen bevinden, dat Zijn verblijf in deze wereld om met hen te zijn slechts van zeer korten duur zal wezen. Kinderkens. Deze benaming ziet niet zozeer op hun zwakheid, als op Zijne tederheid en mededogen. Nu Hij op het punt staat hen te verlaten en hun zegeningen gaat achterlaten, spreekt Hij tot hen met de liefde eens vaders. Weet dan, dat Ik nog een kleinen tijd bij u ben. Hetzij wij dit verstaan van Zijn dood of van Zijne hemelvaart, het komt op hetzelfde neer. Hij had nog slechts een kleinen tijd om met hen door te brengen, en daarom moeten zij van dit voorrecht een goed gebruik maken. Indien zij nu nog een gepaste vraag hadden te doen, indien zij raad of onderricht begeerden, of vertroosting, zo laat hen spoedig spreken, want nog een kleinen tijd ben Ik bij u. Wij moeten het beste gebruik maken van de hulp voor onze zielen, zolang wij die hulp hebben, omdat wij haar niet lang zullen hebben, zij zal van ons weggenomen worden, of wij van haar. Laat hen niet al te veel hechten aan Zijn lichamelijke tegenwoordigheid, alsof hun geluk en hun vertroosting daarvan afhingen, neen, zij moeten denken ook zonder haar te kunnen leven, bedenken, dat zij niet altijd kinderkens moeten blijven, maar leren moeten alleen te lopen, zonder de hulp van voedsters of verzorgsters. Wegen en middelen zijn bestemd om slechts een kleinen tijd te duren, er moet niet in gerust worden, wij moeten er niet aan blijven hangen.
b. Dat zij het zeer moeilijk zullen vinden om Hem naar de andere wereld te volgen, om dáár met Hem te zijn. Wat Hij gezegd had tot de Joden, Hoofdstuk 7:34, zei Hij tot Zijne discipelen, want zij hebben het nodig om opgewekt en aangespoord te worden door dezelfde overwegingen, die tot overtuiging en het doen ontwaken van zondaren voorgesteld worden. Christus zegt hun hier, dat zij, als Hij heengegaan zal zijn, Zijn gemis zullen gevoelen: Gij zult Mij zoeken, dat is, "Gij zult wensen, dat Ik nog bij ulieden ware". Dikwijls wordt ons de waardij der zegeningen geleerd door het gemis er van. Hoewel de tegenwoordigheid van den Trooster hun in benauwdheid en moeilijkheden wezenlijke en krachtige ondersteuning schonk, was die toch niet zo voelbaar en merkbaar als de verlichting van Zijn lichamelijke tegenwoordigheid geweest zou zijn voor hen, die er aan gewoon waren. Maar let eens op: tot de Joden zei Christus: Gij zult Mij zoeken, en gij zult Mij niet vinden, maar tot de discipelen zegt Hij slechts: Gij zult Mij zoeken, te kennen gevende, dat, hoewel zij evenmin als de Joden Zijn lichamelijke tegenwoordigheid zullen vinden, zij toch zullen vinden wat er mede gelijk is, er tegen opweegt, en dat zij dat niet tevergeefs zullen zoeken. Toen zij Zijn lichaam zochten in het graf, hebben zij, hoewel het niet vindende, toch met goed gevolg gezocht. Dat zij, waar Hij heenging, niet konden komen, hetgeen hun hoge gedachten van Hem gaf, die naar een onzichtbare, ontoegankelijke wereld heenging, om te wonen in het ontoegankelijk licht, en geringe gedachten van hen zelven, en ernstige gedachten van hun toekomenden staat. Christus zegt hun, dat zij Hem niet konden volgen (zoals Jozua tot het volk zei, dat zij den Heere niet konden dienen) maar Hij zegt hun dit slechts, om hen tot zoveel te meer ijver en zorgvuldigheid op te wekken. Zij konden Hem niet volgen naar Zijn kruis, want zij hadden geen moed en gene vastberadenheid, het bleek dat zij het niet konden, toen zij allen Hem verlieten en vloden. En zij konden Hem ook niet volgen naar Zijne kroon, want daarvoor hadden zij niets in zich zelven, en hun werk en hun strijd waren nog niet vervuld.
II. Hij spreekt met hen over den groten plicht der broederlijke liefde, vers 34, 35, dat gij elkaar liefhebt. Judas was nu uitgegaan, en had zich als een valsen broeder doen kennen, maar daarom moeten zij geen wantrouwen jegens, of verdenking van, elkaar gaan koesteren, want dat zou een dodelijk verderf zijn voor de liefde, hoewel er een Judas onder hen geweest is, waren zij daarom nog niet allen Judassen. Nu de vijandschap der Joden tegen Christus en Zijne volgelingen het hoogste toppunt zal bereiken, en zij dezelfde behandeling moesten verwachten als die hun Meester werd aangedaan, betaamde het hun door broederlijke liefde elkanders handen te sterken. Er worden hier drie redenen voor deze wederzijdse liefde aangevoerd.
1. Het gebod van hun Meester, vers 34:Een nieuw gebod geef Ik u. Hij beveelt het hun niet slechts aan als lieflijk en aangenaam, Hij raadt het niet slechts aan als voortreffelijk en nuttig, maar Hij gebiedt het, en maakt het tot een der fundamentele wetten van Zijn koninkrijk, het gaat samen met het gebod van in Christus te geloven, 1 Johannes 3:23, 1 Petrus 1:22. Het is het gebod van onzen Bestuurder, die het recht heeft ons wetten te geven, het is het gebod van onzen Verlosser, die ons deze wet geeft ten einde ons van onze geestelijke krankheden te genezen en ons voor onze eeuwige zaligheid toe te bereiden. Het is een nieuw gebod, dat is:
a. Het is een hernieuwd gebod, het is van den beginne een gebod geweest, 1 Johannes 2:7, zo oud als de wet der natuur, het was het tweede grote gebod van de wet van Mozes, maar omdat het ook een der grote geboden is van het Nieuwe Testament, van Christus, den nieuwen Wetgever, wordt het een nieuw gebod genoemd, het is als een oud boek in een nieuwe verbeterde en vermeerderde editie. Dat gebod was door de inzettingen der Joodse kerk zo verdorven, dat het, toen Christus het deed herleven en het in het rechte licht had gesteld, met recht een nieuw gebod kon genoemd worden. Wetten van wraak en wedervergelding waren zozeer in zwang, en de eigenliefde had zozeer de overhand, dat de wet der broederlijke liefde vergeten was en als verouderd werd beschouwd, zodat zij, nieuw van Christus komende, ook nieuw was voor het volk.
b. Het is een uitnemend gebod, zoals een nieuw lied, waarin een bijzondere lieflijkheid, iets zeer aangenaams is, een heerlijk, voortreffelijk lied is.
c. Het is een eeuwig gebod, zo verwonderlijk nieuw, dat het altijd nieuw is, zoals het nieuwe verbond, dat nooit veroudert, Hebreeën 8:13, het zal tot in eeuwigheid nieuw zijn, wanneer geloof en hoop verouderd zullen wezen.
d. Zoals Christus het geeft, is het nieuw. Tevoren was het: Gij zult uwen naaste liefhebben, nu is het: Gij zult elkaar liefhebben, er wordt met meer lieflijkheid op aangedrongen, wanneer het aldus als een wederkerige plicht wordt voorgesteld.
2. Het voorbeeld van hun Zaligmaker is een tweede reden voor broederlijke liefde: Gelijk Ik u liefgehad heb. Dat is het, waardoor het tot een nieuw gebod wordt gemaakt-dat deze regel voor en reden van liefde (gelijk Ik u liefgehad heb) volkomen nieuw zijn, en van alle tijden en geslachten verborgen zijn gebleven. Versta dit:
a. Van al de voorbeelden van Christus' liefde voor Zijne discipelen gedurende den tijd, dat Hij onder hen in- en uitging. Hij heeft vriendelijk tot hen gesproken, stelde hartelijk belang in hen en zorgde voor hen, Hij onderwees hen, gaf hun raad en vertroostte hen, Hij bad met hen en voor hen, verdedigde hen als zij werden beschuldigd, nam het voor hen op, als zij verdrukt werden, en openlijk heeft Hij verklaard, dat zij Hem dierbaarder waren dan moeder, zuster, of broeder. Hij bestrafte hen voor hetgeen verkeerd in hen was, en heeft toch met ontfermende liefde hun tekortkomingen gedragen, hen verontschuldigd, hen van de beste zijde beschouwd, en menig gebrek of vergissing voorbijgezien. Aldus heeft Hij hen liefgehad, en zo-even heeft Hij hun voeten gewassen, en aldus moeten zij elkaar liefhebben, liefhebben tot het einde. Of:
b. Het kan verstaan worden van het bijzondere voorbeeld van liefde voor al Zijne discipelen, dat Hij hun nu stond te geven door Zijn leven voor hen af te leggen. Niemand heeft meer liefde dan deze, Hoofdstuk 15:13. Heeft Hij ons allen aldus liefgehad? Dan kan Hij met recht verwachten, dat wij elkaar zullen liefhebben. Niet alsof wij instaat waren om iets van dezelfden aard voor elkaar te doen, Psalm 49:8, maar in sommige opzichten moeten wij elkaar op dezelfde wijze liefhebben, wij moeten ons Zijn voorbeeld voor ogen stellen en het navolgen. Onze liefde voor elkaar moet vrij en bereidvaardig, werkzaam en kostbaar, standvastig en volhardend zijn, het moet liefde zij n voor de zielen van elkaar. Wij moeten ook elkaar liefhebben uit dit beginsel, om deze beweegreden: dat Christus ons liefgehad heeft. Zie Romeinen 15:1, 3, Efeze 5:2, 25, Filippenzen 2:1-5.
3. De eer van hun belijdenis, vers 35.
Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijne discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkaar. Merk op: Dat wij liefde moeten hebben, niet slechts liefde moeten tonen, maar haar hebben in haren wortel, haar gewoonlijk hebben, niet slechts als er eens een gelegenheid is om haar te tonen, maar haar gans gereed hebben. "Hieraan zal het blijken, dat gij waarlijk Mijne volgelingen zijt, zo gij Mij hierin navolgt." Broederlijke liefde is het kenteken van Christus' discipelen. Hieraan kent Hij hen, hieraan kunnen zij zich zelven kennen, 1 Johannes 3:14, en hieraan kunnen anderen hen kennen. Dat is de livrei van het gezin, het onderscheidend kenmerk van Zijne discipelen, hieraan wil Hij dat zij gekend zullen worden, als hetgeen, waarin zij alle anderen overtreffen-dat zij elkaar liefhebben. Dit was het, waarvoor hun Meester vermaard was, allen, die ooit van Hem gehoord hebben, hebben gehoord van Zijne liefde, Zijn grote liefde. Als gij dus mensen ziet, die meer dan gewone genegenheid voor elkaar hebben, zo zegt: Dat zijn voorzeker volgelingen van Christus, zij zijn met Jezus geweest". Hieruit blijkt nu:
a. Dat Christus er ten zeerste Zijn hart op gezet heeft, dat Zijne discipelen elkaar zouden liefhebben. Hierin moeten zij uitmunten, enig zijn als het ware: terwijl de leus der wereld is: "Ieder voor zich", moeten zij van harte voor elkaar zijn. Hij zegt niet: "Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijne discipelen zijt-zo gij wonderen doet, want een wonderwerker zonder liefde, is niets, 1 Corinthiërs 13:1, 2, maar zo gij liefde hebt onder elkaar, uit een beginsel van zelfverloochening en dankbaarheid aan Christus. Dat wilde Christus als het proprium hebben van Zijn Godsdienst, het voornaamste kenmerk der ware kerk.
b. Dat het de ware ere is voor Christus' discipelen, om uit te munten in broederlijke liefde. Niets zal hen meer en krachtiger der achting van anderen aanbevelen. Zie hoe grote aantrekkingskracht hierin was, Handelingen 2:46, 47. Tertullianus zegt dat het de heerlijkheid was van de oorspronkelijke kerk, dat de Christenen gekend werden aan hun liefde voor elkaar. Hun tegenstanders namen hier nota van, en zeiden: "Zie hoe deze Christenen elkaar liefhebben," APOLLYON. Cap. 39. c. Dat, zo de volgelingen van Christus elkaar niet liefhebben, zij niet slechts onrechtvaardige schande brengen over hun belijdenis, maar rechtvaardige oorzaak geven om hun eigen oprechtheid in twijfel te trekken. O Jezus! zijn deze driftige, boosaardige, hatelijke, kwaadwillige lieden Uwe Christenen? Is dit de rok Uws Zoons? Als onze broederen onze hulp nodig hebben, en wij de gelegenheid hebben om hun bijstand te verlenen, als zij in mening van ons verschillen, of in wijze van doen, als zij op de ene of andere manier in mededinging met ons komen of prikkelend voor ons zijn, en wij dus de gelegenheid hebben om ons inschikkelijk en vergevingsgezind jegens hen te betonen, dan zal het in zulke gevallen blijken of wij dit kenmerk van Christus' discipelen dragen.