1 Johannes 3:23-24
Nadat de apostel gewezen heeft op het houden der geboden en het Gode welbehaaglijk zijn, als de hoedanigheid van de ware bidders, gaat hij over tot:
I. Het voorstellen van hetgeen deze geboden voornamelijk en in hoofdsom bevatten. Zij worden saamgevat in dit dubbele: En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den naam van Zijnen Zoon Jezus Christus en elkaar liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft, vers 23. Geloven in den naam van Zijn Zoon Jezus Christus is:
1. Onderscheiden wat Hij is volgens Zijn naam, een helder en verstandelijk gezicht hebben op Zijn persoon en bediening als de Zoon van God en de Zaligmaker der wereld. Een iegelijk, die den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, die heeft het eeuwige leven, Johannes 6:40.
2. Hem te erkennen in oordeel en geweten, in overtuiging en bewustzijn van onze zaak, als degene, die wijselijk en wonderlijk voor- bereid en toegerust werd voor het gehele werk van onze eeuwige verlossing.
3. In Hem toe te stemmen en in Hem te rusten als onzen Verlosser en Hereniger met God.
4. In Hem te vertrouwen en ons op Hem te verlaten voor de volkomen en algehele vervulling van Zijne bediening. Die Uwen naam kennen, zullen op U vertrouwen, Psalm 9:11. Ik weet in wie ik geloofd heb, en ik ben verzekerd dat Hij machtig is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag, 2 Timotheus 1:12. Dit geloof is een noodzakelijk vereiste voor allen, die tot God bidden en slagen willen, want wij moeten door den Zoon tot den Vader komen, door Zijne genade en rechtvaardigheid moeten onze personen aangenaam gemaakt worden bij den Vader en door Hem aangenomen, Efeze 1:6, door Zijn verwerven er van moeten al onze geestelijke zegeningen komen en door Zijn tussenkomst moeten onze gebeden gehoord en beantwoord worden. Dit is het eerste gedeelte van het gebod, dat moet in acht genomen worden door aanbidders, die verhoring wensen te verkrijgen. Het tweede is dat wij elkaar liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft, vers 23. Het gebod van Christus moet ons onophoudelijk voor ogen staan. De Christelijke liefde moet onze ziel innemen, wanneer wij in het gebed tot God naderen. Hiertoe moeten wij ons herinneren, dat onze Heere ons de verplichting oplegt:
A. Om te vergeven degenen, die ons beledigd hebben, Mattheus 6:14, en
B. Ons te verzoenen met degenen, die wij hebben beledigd, Mattheus 5:23, 24. Een welbehagen in de mensen is van den hemel afgekondigd, en dus moet welbehagen in de mensen, voornamelijk in onze broederen, in onze harten heersen, wanneer wij tot God in den hemel naderen.
II. Om ons den zegen van gehoorzaamheid aan deze geboden steeds voor ogen te stellen. De gehoorzame geniet gemeenschap met God.
En die Zijne geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem, vers 24, voornamelijk deze geboden van geloof en liefde. Wij blijven in God door een zalige betrekking tot Hem, en door geestelijke vereniging met Hem, door Zijn Zoon, en door een heiligen wandel met Hem. En God blijft in ons door Zijn woord, en door ons op Hem gevestigd geloof en door de werking van Zijnen Geest. En thans volgt de proef op Zijn goddelijke inwoning. En hieraan kennen wij dat Hij in ons blijft, uit den Geest, dien Hij ons gegeven heeft, vers 24, uit de geheiligde genegenheid en gestalte der ziel, die Hij ons verleend heeft, die een geest van geloof in God en Christus is en van liefde tot God en de mensen, en die daardoor toont van God te zijn.