Mattheus 6:9-15
Nadat Christus afgekeurd had wat verkeerd was, geeft Hij aanwijzing om beter te doen, want zijne bestraffingen zijn ter lering. Want, daar wij niet weten wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, komt Hij hier onze zwakheden te hulp, door ons woorden in den mond te leggen, Gij dan bidt aldus vers 9. Er was onder de Joden zo velerlei bederf ingeslopen in hun bidden, dat Christus het nodig achtte om een nieuw richtsnoer te geven voor het gebed, om Zijn discipelen te tonen wat gewoonlijk de inhoud en de manier van hun gebed moest wezen, en dat geeft Hij hun in woorden, die zeer goed als een formulier gebruikt kunnen worden, als de hoofdsom van de verschillende bijzonderheden in ons bidden. Niet dat wij gebonden zijn om alleen dit formulier te gebruiken, of er altijd gebruik van te maken, alsof het nodig was voor de wijding onzer andere gebeden, er wordt ons hier gezegd naar die wijze, met deze woorden, of in dier voege te bidden. In Lukas is het verschillend van dit, hetwelk wij hier hebben. Wij bevinden niet, dat het door de apostelen gebruikt is, er wordt ons hier niet geleerd in den naam van Christus te bidden, zoals ons dit later geleerd wordt. Hier wordt ons geleerd te bidden om de komst van dat koninkrijk, dat gekomen is, toen de Geest werd uitgestort. Evenwel, het is ongetwijfeld zeer goed om het als een formulier te gebruiken, en het is een onderpand van de gemeenschap der heiligen, daar het in alle eeuwen door de kerk gebruikt is, of ten minste van de derde eeuw af. Het is het gebed onzes Heeren, Hij heeft het saamgesteld, Hij heeft het aangewezen. Het is zeer beknopt en toch zeer veelomvattend, in medegevoel met onze zwakheid in het gebed. De inhoud is kostelijk en noodzakelijk, de methode leerrijk, en de uitdrukking kort en bondig. Er is veel en weinig, en het is nodig, dat wij ons bekend maken met den zin en de betekenis er van, want het wordt niet anders naar behoren gebruikt, dan wanneer het gebruikt wordt met verstand en zonder ijdele herhaling. Het gebed onzes Heeren is (gelijk ieder gebed) een brief, gezonden van de aarde naar den hemel. Hier is het adres van den brief, den Persoon, aan wie hij gericht is, onze Vader, de plaats waar, in de hemelen, de inhoud er van in verscheidene boodschappen van verzoek, het slot: want Uw is het koninkrijk, het zegel, Amen, en zo gij wilt, ook de datum, heden. Zeer duidelijk dus zijn hier drie delen van het gebed.
I. De inleiding, Onze Vader, die in de hemelen zijt. Eer wij tot de zaak komen moet er een plechtig aanspreken zijn van Hem tot wie wij met onze zaak gaan, Onze Vader. Te kennen gevende, dat wij moeten bidden, niet slechts alleen, en voor ons zelven, maar met en voor anderen, want wij zijn elkanders leden, en zijn in gemeenschap met elkaar geroepen. Er wordt ons hier geleerd tot wie te bidden, alleen tot God, en niet tot heiligen en engelen, want zij weten niets van ons, zij behoren de eer niet te ontvangen, die wij in het gebed toebrengen, en kunnen de gunst niet verlenen, die wij verwachten. Er wordt ons geleerd, hoe ons tot God te wenden, met welken titel wij Hem moeten aanspreken, en wel met dien, die Hem eerder doet kennen als weldadig dan als hoog en heerlijk, want wij moeten met vrijmoedigheid tot den troon der genade komen.
1. Wij moeten ons tot Hem wenden als tot onzen Vader, en Hem ook aldus noemen. Door de schepping is Hij de Vader van geheel de mensheid, Maleachi 2:10, Handelingen 17:28. Hij is op bijzondere wijze de Vader van de Heiligen, door aanneming en wedergeboorte, Efeze 1:5, Galaten 4:6, en onuitsprekelijk is dit voorrecht. Aldus moeten wij Hem beschouwen in het gebed, goede gedachten van Hem koesteren, gedachten, die bemoedigen en niet verschrikken. Niets is Gode meer welbehaaglijk, en niets is liefelijker voor ons zelven, dan God onzen Vader te noemen. Christus heeft in het gebed meestal God Vader genoemd. Indien Hij onze Vader is, dan zal Hij medelijden met ons hebben in onze zwakheden en gebreken, Psalm 103:13. Hij zal ons verschonen, Maleachi 3:1, gebruik maken van ons werk, hoe gebrekkig het ook zij, ons niets onthouden van hetgeen goed voor ons is, Lukas 11:11-13. Wij hebben toegang tot Hem met vrijmoedigheid, als tot een vader, en hebben een Voorspraak bij den Vader, en den Geest der aanneming. Als wij komen met berouw over onze zonden, dan moeten wij God beschouwen als een Vader, zoals de verloren zoon gedaan heeft, Lukas 15:18, Jeremia 3:19, als wij komen om te vragen om genade, en vrede, en het erfdeel en de zegening van kin- deren, dan is het ene bemoediging, dat wij tot God komen, niet als tot een onverzoend, wrekend Rechter, maar als tot een liefhebbenden, genadigen, verzoenden Vader in Christus, Jeremia 3:4 2. Als onzen Vader, die in de hemelen is: zo in de hemelen, dat Hij ook overal elders is, want de hemelen kunnen Hem niet bevatten, en toch ook zo in de hemelen, dat Hij er Zijne heerlijkheid openbaart, want Hij heeft er Zijn troon, Psalm 103:19, en voor de gelovigen is het een troon der genade, derwaarts moeten wij onze gebeden richten, want Christus, de Middelaar, is thans in den hemel, Hebreeën 8:1. De hemel is buiten het gezicht, het is ene wereld van geesten, daarom moet ons spreken met God in het gebed geestelijk zijn, hij is boven, daarom moeten wij in ons gebed opgeheven zijn boven de wereld, en moeten wij onze ziel opheffen, Psalm 25:1. De hemel is ene plaats van volmaakte reinheid, daarom moeten wij reine handen opheffen, moeten wij ons beijveren Zijn naam te heiligen, die de Heilige is, en in die heilige plaats woont, Leviticus 10:3. Uit den hemel aanschouwt God de mensenkinderen, Psalm 33:13, 14. En in het gebed moeten wij zien, dat Zijn oog op ons is, vandaar dat Hij een volledig en helder gezicht heeft op al onze behoeften, en lasten en begeerten, en op al onze zwakheden. Het is ook het uitspansel Zijner sterkte, zowel als de plaats Zijner waarneming, Psalm 150:
1. Hij is niet alleen, als Vader, bereid om ons te helpen, maar, als de hemelse Vader, ook machtig om ons te helpen, machtig om grote dingen voor ons te doen, meer dan wij kunnen bidden of denken, Hij heeft de middelen om in onze behoeften te voorzien, want alle goede gave komt van Boven. Hij is een Vader, en daarom moeten wij komen met eerbied. Aldus moeten al onze gebeden in overeenstemming wezen met hetgeen ons groot doel is als Christenen, n.l. bij God in den hemel te zijn. God en de hemel, is hetgeen zeer bijzonder in elk gebed in het oog moet worden gehouden, dáár is het middelpunt, waarheen wij ons allen richten.
Il. De beden, zij zijn zes in getal, de eerste drie meer onmiddellijk betrekking hebbende op God en Zijne ere, de laatste drie op onze eigene zaken, zowel tijdelijke als geestelijke, zoals in de tien geboden de eerste vier ons onzen plicht leren jegens God, en de zes overigen onzen plicht jegens onzen naaste. De methode van dit gebed leert ons eerst het koninkrijk Gods te zoeken en Zijne gerechtigheid, en dan te hopen, dat andere dingen ons toegeworpen zullen worden.
1. Uw naam worde geheiligd. In deze woorden
a. Geven wij eer aan God. Het kan beschouwd worden niet als ene bede, maar als ene aanbidding, zoals: de Heere zij groot gemaakt of verheerlijkt, want Gods heiligheid is de grootheid en de heerlijkheid van al Zijne volmaaktheden. Wij moeten onze gebeden beginnen met God te loven, en het is zeer betamelijk, dat Hij eerst gediend wordt, en dat wij Gode ere geven, eer wij verwachten genade en barmhartigheid van Hem te ontvangen. Laat Hem den lof hebben van Zijne volmaaktheden, en laten wij daarna er het voordeel van hebben.
b. Het is het rechte doel, waarnaar wij moeten streven, en het behoort ons voornaamste, ons einddoel te wezen in al onze smekingen, dat God moge verheerlijkt worden: al onze andere beden moeten hieraan onderworpen zijn. "Vader, verheerlijk U door mij mijn dagelijks brood te geven en mijne zonden te vergeven," enz. Daar alles van Hem en door Hem is, moet ook alles tot Hem en voor Hem wezen. In ons gebed moeten onze gedachten en de uitgangen van ons hart het meest strekken tot de ere Gods. De Farizeeën maakten hun eigen naam tot het voornaamste doel van hun gebed (vers 5, om van de mensen gezien te worden) in tegenstelling hiervan wordt ons gezegd Gods naam tot ons hoofddoel te maken, laten al uwe gebeden hier hun middelpunt in vinden, en er door geregeld worden. "Doe zo en zo voor mij tot eer van Uwen naam, en in zoverre het is tot eer van Uwen naam."
c. Wij begeren en bidden, dat de naam van God, dat is: God zelf, in alles, waarmee Hij zich bekend heeft gemaakt, geheiligd en verheerlijkt worde door ons en door anderen, en inzonderheid door Hem zelven. "Vader, laat Uw naam verheerlijkt worden als Vader, en als Vader in de hemelen, verheerlijk Uwe goedheid, en Uwe grootheid, Uwe majesteit en Uwe genade. Uw naam worde geheiligd, want het is een heilige naam, weinig doet het er toe wat er wordt van onzen bevlekten naam, maar Heere, wat zult Gij dan Uwen groten naam doen?" Als wij bidden, dat Gods naam geheiligd worde, maken wij van de noodzakelijkheid ene deugd, want God zal Zijn naam heiligen, of wij dit begeren of niet, Ik zal verhoogd worden onder de Heidenen, Psalm 46:11. Wij vragen om hetgeen wij zeker zijn, dat het ons toegestaan zal worden, want toen onze Heiland gebeden heeft: Vader, verheerlijk Uwen naam, werd Hij onmiddellijk verhoord, Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem verheerlijken.
2. Uw koninkrijk kome. Deze bede ziet duidelijk op de leer, die Christus toenmaals predikte, Johannes de Doper te voren had gepredikt, en om welke te prediken Hij later Zijne discipelen uitzond-het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Het koninkrijk van uwen Vader, die in de hemelen is, het koninkrijk van den Messias, is nabij, bidt, dat het moge komen. Het woord, dat wij horen, moeten wij in gebed verkeren, ons hart moet er den weerklank van geven. Belooft Christus: Ja, Ik kom haastelijk? zo moet ons hart antwoorden: Ja, kom. Leraren moeten bidden voor het woord: als zij prediken: het koninkrijk Gods is nabij, dan behoren zij te bidden: Vader, Uw koninkrijk kome, gelijk Daniël zijn aangezicht stelde om te bidden voor de verlossing van Israël, toen hij verstond, dat de tijd er van nabij was, Daniël 6:2. Zie Lukas 19:11. Het was der Joden dagelijks gebed tot God: Laat Hij Zijn koninkrijk doen heersen, laat Zijne verlossing bloeien, en laat Zijn Messias komen en Zijn volk bevrijden. Vitringa. " Uw koninkrijk kome, laat het Evangelie gepredikt worden aan allen en aangenomen worden door allen: laten allen er toe gebracht worden het bericht, dat God betreffende Zijn Zoon in Zijn woord heeft gegeven, te onderschrijven, en Hem aan te nemen als hun Zaligmaker en Koning. Laten de grenzen der Evangelie-kerk worden uitgebreid, het koninkrijk der wereld tot het koninkrijk van Christus gemaakt worden, alle mensen er onderdanen van worden, en leven, zoals het hun dan betaamt te leven."
3. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde. Wij bidden, dat Gods koninkrijk gekomen zijnde, wij en anderen tot gehoorzaamheid gebracht zullen worden aan alle wetten en verordeningen er van. Laat het hieruit blijken, dat Christus' koninkrijk gekomen is, dat Gods wil geschiede, en laat het hieruit blijken, dat het gekomen is als een koninkrijk der hemelen: laat het een hemel brengen op aarde. Wij maken van Christus slechts een titulair Vorst, als wij Hem Koning noemen, maar Zijn wil niet doen. Gebeden hebbende, dat Hij over ons zal heersen, bidden wij, dat wij in alles door Hem beheerst en bestuurd worden. Let op: a. De zaak, waarom gebeden wordt: Uw wil geschiede, " Heere, doe met mij en het mijne wat u behaagt, 1 Samuël 3:18. Ik geef mij zelf aan U over, en ben er volkomen tevreden mede, dat al Uw raad aan mij volvoerd worde. In dien zin heeft Christus gebeden: Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede. "Maak mij bekwaam tot hetgeen U welbehaaglijk is, geef mij de genade, die nodig is tot de rechte kennis van Uwen wil, en ene U welbehaaglijke gehoorzaamheid er aan. Laat Uw wil met nauwgezetheid door mij en anderen gedaan worden, niet onze wil, de wil van het vlees, de wil van het verstand, de wil van den mens, 1 Petrus 4:2, en nog veel minder de wil van Satan, Johannes 8:44, zodat wij Gode niet mogen mishagen in iets dat wij doen, en niets dat God doet ons moge mishagen.
b. Het voorbeeld, of model er van, dat hij geschiede op aarde, in deze plaats onzer beproeving en loutering, (waar ons werk gedaan moet worden, of het wordt nooit gedaan) gelijk in den hemel, de plaats van rust en van blijdschap. Wij bidden, dat de aarde meer aan den hemel gelijk moge gemaakt worden door het doen van Gods wil (deze aarde, die door den invloed van Satans wil meer aan de hel gelijk is geworden), en dat de heiligen meer gelijk mogen gemaakt worden aan de engelen in Godsvrucht en gehoorzaamheid. Wij zijn, Gode zij dank, op de aarde, nog niet onder de aarde, wij bidden alleen voor de levenden, niet voor de doden, die in stilte nedergedaald zijn.
4. Geef ons heden ons dagelijks brood. Omdat ons natuurlijk bestaan nodig is voor onze geestelijke welvaart in deze wereld, bidden wij, na voor de dingen van Gods ere, koninkrijk en wil gebeden te hebben, nu voor het noodzakelijke onderhoud en de geriefelijkheden van dit tegenwoordige leven, die de gaven Gods zijn, en van Hem gevraagd moeten worden. Ton arton epiousion, Brood voor den naderenden dag, voor de rest van ons leven Brood voor den toekomenden tijd, of brood voor ons bestaan en ons onderhoud, hetgeen overeenkomstig onzen staat is in deze wereld. Prediker 30:8, gepast voedsel voor ons en voor ons gezin, overeenkomstig onzen rang en onze positie. In ieder woord ligt ene les opgesloten:
a. Wij vragen om brood, dat leert ons soberheid en matigheid, wij vragen om brood, gene lekkernijen, gene overtolligheden, om hetgeen gezond is, hoewel misschien niet lekker of aangenaam.
b. Wij vragen om ons brood, dat leert ons eerlijkheid en vlijt, wij vragen niet om het brood uit anderer mond, niet om het brood der leugen, Prediker 20:17, niet om het brood der luiheid, maar om het brood, dat eerlijk verkregen is.
c. Wij vragen om ons dagelijks brood, dat ons leert, om niet bezorgd te zijn tegen den morgen, vers 34, maar voortdurend afhankelijk te zijn van de Goddelijke voorzienigheid, zoals zij, die van de hand in den tand leven.
d. Wij vragen van God het ons te geven, niet het ons te verkopen, noch het ons te lenen, maar het ons te geven. De grootste mannen moeten hun dagelijks brood, aan Gods genade verplicht zijn.
e. Wij bidden: "Geef het ons, niet aan mij alleen, maar aan anderen met mij." Dit leert ons liefde, en ene ontfermende zorge voor de armen en nooddruftigen. Het duidt ook aan, dat wij moeten bidden met ons gezin, wij en ons gezin eten te zamen, en daarom moeten wij ook te zamen bidden. f. Wij bidden, dat God het ons heden zal geven, dat ons leert om de begeerte onzer ziel naar God te vernieuwen, gelijk de behoeften van ons lichaam vernieuwd worden, even nauwkeurig als de dag komt, moeten wij onzen hemelsen Vader bidden, en achten, dat wij even goed zonder eten zouden kunnen blijven, als zonder gebed.
5. En vergeef ons onzen schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Dit is samengevoegd met het vorige, en vergeef, te kennen gevende, dat, tenzij onze zonden vergeven zijn, wij gene geriefelijkheid in het leven kunnen hebben, noch het onderhoud er van.
Ons dagelijks brood voedt ons slechts, zoals lammeren gevoed worden voor de slachtbank, indien onze zonden niet zijn vergeven. Het geeft tevens te kennen, dat wij om dagelijkse vergeving moeten bidden, even nauwkeurig als wij om dagelijks brood bidden. Die gewassen is, heeft van node de voeten te wassen. Hier hebben wij:
a. Ene bede: Vader in den hemel, vergeef ons onze schulden, onze schulden aan U. Onze zonden zijn onze schulden, er is ene schuld van plicht, die wij als schepselen, onzen Schepper verschuldigd zijn. Wij bidden niet om ontheffing daarvan, maar uit de nietbetaling van die schuld, ontstaat ene strafschuld bij gebreke van gehoorzaamheid aan den wil van God, worden wij blootgesteld aan den toorn Gods, en wegens het niet nakomen van het gebod der wet, vallen wij onder de straf der wet. Een schuldenaar is blootgesteld aan ene rechtsvordering, dat zijn ook wij. De begeerte van ons hart en ons gebed tot onzen hemelsen Vader behoort elke dag te wezen, dat Hij ons onze schulden vergeeft, dat de strafschuldigheid uitgewist zal worden, en wij niet in de verdoemenis komen, dat wij vrijgesteld zullen worden, en er de vertroosting van zullen hebben. Voor de verkrijging van de vergeving onzer zonden is de grootste pleitgrond, waarop wij steunen, de voldoening aan de gerechtigheid Gods voor de zonden van den mens, welke geschied is door het sterven van den Heere Jezus, onzen Borg, die onze vrijlating bewerkt heeft.
b. Een argument om aan deze bede kracht bij te zetten, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Dit is geen pleitgrond van verdienste, maar een pleitgrond van genade. Zij, die tot God komen om de vergeving hunner zonden tegen Hem, moeten er ene gewetenszaak van maken om hun te vergeven, die tegen hen misdreven hebben, want anders vloeken zij zich zelven, als zij het gebed des Heeren bidden. Het is onze plicht onzen schuldenaren te vergeven. Wat geldschulden betreft, wij moeten niet streng en hard zijn in het opeisen er van voor hen, die ze niet kunnen betalen zonder zich en hun gezin te gronde te richten, maar hier wordt bedoeld schulden van belediging, of toegebrachte schade, onze schuldenaren zijn zij, die tegen ons misdreven hebben, die ons slaan, Hoofdstuk 5:39, 40, en die wij naar de strengheid der wet er voor zouden kunnen vervolgen. Wij moeten de beledigingen en het onrecht, dat ons wordt aangedaan, verdragen, vergeven en vergeten, en dit is ene zedelijke geschiktmaking van vergeving en vrede, zij bemoedigt ons om te hopen, dat God ons zal vergeven, want indien deze Godvruchtige gezindheid in ons is, dan is zij door God in ons gewerkt, en daarom is zij in de hoogste mate in Hem. Het zal een blijk voor ons wezen, dat Hij ons vergeven heeft, als hij de gezindheid om te vergeven in ons gewerkt heeft.
6. En leidt ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Deze bede is uitgedrukt,
a. Ontkennenderwijs: Leid ons niet in verzoeking. Gebeden hebbende, dat de schuld der zonde weggenomen moge worden, bidden wij nu, gelijk betamelijk is, dat wij nooit weer tot dwaasheid keren, dat wij er niet toe verzocht zullen worden. Niet alsof God iemand tot zonde verzoekt, maar, "Heere, laat Satan niet op ons los, keten dien briesenden leeuw, want hij is listig en boosaardig, Heere, laat ons niet over aan ons zelven, Psalm 19:14, want wij zijn zwak, Heere, leg gene struikelblokken en strikken voor ons neer, en breng ons in gene omstandigheden, die ene aanleiding zouden kunnen worden voor onzen val." Tegen verzoekingen moet gebeden worden, zowel om het ongemak en de moeite, die zij veroorzaken, als om het gevaar waarin wij verkeren om er door overwonnen te worden, en om de schuld en de smart, die er dan uit volgen.
b. Bevestigenderwijs: Maar verlos ons van den boze -apo tou ponèrou - van den boze, den duivel, den verzoeker, "bewaar ons, zodat wij of niet door hem worden aangevallen, of aangevallen zijnde, niet door hem overwonnen worden." Of van het boze: zonde, het ergste van alle kwaad, een kwaad, een enig kwaad, dat kwade, dat God haat, en waartoe Satan de mensen verzoekt, en waardoor hij hen verderft. "Heere, verlos ons van het boze der wereld, het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid, van het boze van elke toestand in de wereld, van het boze van den dood, van den prikkel des doods, welke is de zonde, verlos ons van ons zelven, van ons boze hart, verlos ons van boze mensen, zodat zij geen strik voor ons zijn en wij hun prooi niet worden."
III. Het slot: Want Uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, Amen. Sommigen verwijzen dit naar David's lofzegging, 1 Kronieken 29:11. Uwe, o Heere! is de grootheid. Het is:
1. Een vorm van pleiten om de voorafgaande bede te ondersteunen, er kracht aan bij te zetten. Het is onze plicht in het gebed bij God te pleiten, onzen mond met argumenten te vervullen, Job 23:4, niet om God te bewegen, maar om ons zelven te bewegen, ons geloof aan te moedigen, onze vurigheid op te wekken, en van beiden het blijk te geven. De beste pleitgronden nu in het gebed zijn die, welke van God zelf genomen zijn, en van hetgeen Hij van zich zelven bekend heeft gemaakt. Wij moeten met God worstelen in Zijne eigene kracht, zowel voor den aard onzer pleitgronden als voor het aandringen er van. De pleitgrond, hier gebruikt, heeft bijzonder betrekking op de eerste drie beden: Vader in den hemel, Uw koninkrijk kome, want Uwer is het koninkrijk, Uw wil geschiede, want Uw is de kracht, Uw naam worde geheiligd, want Uw is de heerlijkheid." En wat nu onze eigene zaken, of boodschappen, betreft, zij zijn moedgevend: "Uw is het koninkrijk, Gij hebt het bestuur der wereld, en de bescherming der heiligen, Uwe gewillige onderdanen er in, " God geeft en behoudt als een koning "Uw is de kracht om dat koninkrijk in stand te houden en te ondersteunen, en al Uwe verbintenissen jegens Uw volk na te komen." Uw is de heerlijkheid, als het doel van al hetgeen gegeven is aan, en gedaan is voor, de heiligen, als verhoring van hun gebeden, want hun lof is in stilheid tot Hem. Dit is stof van vertroosting en heilig vertrouwen in het gebed.
2. Het is een vorm van lof en dankzegging Het beste pleiten bij God is Hem te loven, het is de manier om nog verdere zegeningen van Hem te verkrijgen, daar het ons bekwaam maakt ze te ontvangen. In al ons spreken met God is het betamelijk dat de lof een groot aandeel er van hebbe, want lof betaamt den oprechten, zij moeten onzen God zijn tot een' naam en tot lof. Het is recht en billijk, wij loven God, en geven Hem ere, niet omdat Hij dit nodig heeft-Hij wordt geloofd door ene wereld van engelen, maar omdat Hij het verdient, en het is onze plicht Hem ere te geven, als instemming met Zijne bedoeling, waarmee Hij zich aan ons openbaart. Lof is het werk en maakt de zaligheid uit van den hemel, en allen, die naar den hemel willen gaan, moeten hun hemel thans beginnen. Zie hoe volledig deze lofzegging is: Het koninkrijk en de kracht, en de heerlijkheid, het is al Uwe. Het betaamt ons uitvoerig, overvloedig te zijn in den lof van God. Een waar Godvruchtige denkt, dat hij nooit met genoeg lof van God kan spreken, hierin moet er een Godvruchtig overvloeien zijn, en dit tot in der eeuwigheid. Ere toeschrijvende aan God tot in eeuwigheid duidt ene erkenning aan, dat zij eeuwiglijk verschuldigd is, en ene oprechte begeerte om het tot in der eeuwigheid te doen met de engelen en de heiligen hier boven Psalm 71:14.
Eindelijk. Er wordt ons geleerd aan dit alles ons Amen, zo zij het, te hechten. Gods Amen is een schenking, een toewijzing, Zijn fiat is: Het zal zo zijn, ons Amen is slechts een samenvatting van onze begeerten, ons fiat is: laat het zo zijn, het is ten teken van onze begeerte en onze verzekerdheid om gehoord te worden, dat wij Amen zeggen. Amen ziet op elke voorafgegane bede, en aldus wordt ons, uit medelijden voor onze zwakheid, geleerd, het geheel saam te vatten in een enkel woord, en aldus op te zamelen in het geheel, wat wij in de bijzonderheden hebben laten glippen. Het is goed om Godsdienstplichten met warmte en kracht te besluiten, opdat wij er een liefelijken indruk van mogen behouden in ons gemoed. In vroeger tijden was het de gewoonte van Godvruchtige mensen, om aan het einde van ieder gebed hoorbaar Amen te zeggen, en dat is een loffelijke gewoonte, mits het met verstand geschiede, zoals de apostel ons zegt in 1 Corinthiërs 14:16, en met oprechtheid, met leven en levendigheid, en onder een innerlijken indruk, beantwoordende aan de uitwendige uitdrukking van begeerte en van vertrouwen. De meeste beden in het gebed onzes Heeren waren in gemeen gebruik onder de Joden bij hun Godsdienstoefeningen, in woorden, die dezelfde strekking hadden, maar de zinsnede in de vijfde bede, Gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren, was geheel nieuw, en daarom toont onze Heiland hier, om welke reden Hij haar er bijgevoegd heeft, niet als een blaam of bestraffing van de gemelijkheid, het twistgierige en de kwaadwilligheid van de mensen van dien tijd, hoewel daar oorzaak genoeg voor was, maar alleen van wege de noodzakelijkheid en het gewicht der zaak zelf. Als God ons vergeeft, heeft Hij daarbij bijzonder acht op ons vergeven aan hen, die tegen ons misdreven hebben, als wij dus bidden om vergeving, moeten wij er melding van maken, dat wij ons dien plicht tot ene gewetenszaak stellen, niet slechts om ons zelven er aan te herinneren, maar om ons er door te verbinden. Zie de gelijkenis, hoofdstuk 18:23-35. De zelfzuchtige natuur heeft er een afkeer van, om hiermede in te stemmen, of er aan te voldoen, en daarom wordt de les ons hier ingeprent, vers 14, 15.
1. In ene belofte. Indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Niet alsof dit de enige voorwaarde was, die gesteld wordt, er moet ook bekering zijn en geloof, en nieuwe gehoorzaamheid, maar evenals in waarheid ook andere genadegaven zijn opgesloten, zo zal dit een goed blijk wezen van de oprechtheid onzer andere genadegaven. Wie zich vermurwd toont voor zijn broeder, geeft daarmee blijk, dat hij berouwvol is tegenover God. Wat in het gebed schulden wordt genoemd, wordt hier misdaden, genoemd, schulden van nadeel, onrecht ons aangedaan in ons lichaam, in onze bezittingen, of in onzen goeden naam. Het Griekse woord paraptoomata, struikelingen, uitglijdingen, vallen, is een verzachtende term voor misdaden. Het is een goed teken, en ene goede hulpe voor ons vergeven aan anderen, om hetgeen tegen ons misdreven is, met een verzachtenden, verontschuldigenden naam te noemen. Noem het geen verraad maar overtreding, gene moedwillige belediging, maar toevallige onachtzaamheid, misschien is het een feil, ene vergissing, zo geloof er dan het beste van. Wij moeten vergeven, gelijk wij hopen dat ons vergeven zal worden, en daarom moeten wij niet alleen geen wrok koesteren, en op geen wraak zinnen, maar onzen broeder ook het onrecht niet verwijten, dat hij ons gedaan heeft, en ons niet verblijden in leed, dat hem overkomt, maar bereid zijn hem te helpen en hem goed te doen, en zo hij berouw heeft, en weer op vriendschappelijken voet met ons wil komen, dan moeten wij ook even gemeenzaam met hem omgaan als te voren.
2. In ene bedreiging. "Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, dan is dit een slecht teken, een bewijs, dat gij de andere vereiste voorwaarde niet bezit, maar gans en al ongeschikt en onbevoegd zijt om vergeving te ontvangen, en daarom zal uw Vader, dien gij Vader noemt, en die, als Vader, u Zijne genade op billijke voorwaarden aanbiedt, u evenwel niet vergeven. En indien de andere genadegaven echt zijn, terwijl gij toch te kort schiet in vergeving te schenken, dan kunt gij niet verwachten den troost te smaken van zelf vergeving te hebben ontvangen, maar dan zult gij door de ene of andere beproeving er toe gebracht moeten worden dezen plicht te vervullen." Zij, die genade bij God willen vinden, moeten barmhartigheid bewijzen aan hun broederen, en wij kunnen niet verwachten, dat Hij de hand Zijner gunst tot ons zal uitstrekken, tenzij wij tot Hem opheffen heilige handen, zonder toorn en twisting, 1 Timotheus 2:8. Als wij bidden in toorn, dan hebben wij reden te vrezen, dat God in toorn zal antwoorden. Gebeden, die in toorn worden gedaan, heeft men gezegd, zijn in gal geschreven. Waarom zou God ons de talenten, die wij Hem schuldig zijn, kwijtschelden, indien wij de penningen niet willen kwijtschelden, die onze broederen ons schuldig zijn? Christus is als de grote Vredemaker in de wereld gekomen, niet slechts om ons met God te verzoenen, maar ook met elkaar, en hierin moeten wij met Hem instemmen. Het is ene grote vermetelheid, en die zeer gevaarlijk is in de gevolgen, om ene zaak van weinig betekenis te achten, waarop Christus hier zulk een groten nadruk gelegd heeft. Der mensen hartstochten zullen Gods woord niet te niet doen.