Mattheus 5:21-26
Het beginsel gesteld hebbende, dat Mozes en de profeten nog altijd hun bestuurders moeten zijn, maar dat de schriftgeleerden en Farizeeën dit niet meer moesten zijn, gaat Christus er nu toe over, om de wet in sommige bijzonderheden te verklaren, en haar te bevrijden van de verdorvene uitleggingen, die deze schriftverklaarders er aan hadden gegeven. Hij voegt er niets nieuws aan toe. Hij beperkt slechts sommige vergunningen, waarvan misbruik was gemaakt, en wat betreft de geboden: Hij toont de wijde strekking, de stiptheid en den geestelijken aard er van aan, en voegt er zulke verklarende inzettingen aan toe, dat zij er veel duidelijker door worden, en tot gehoorzaamheid er aan kunnen leiden. In deze verzen verklaart Hij de wet van het zesde gebod overeenkomstig de ware bedoeling en de volle strekking er van.
I. Hier wordt het gebod zelf herhaald, vers 21, Wij hebben het gehoord, en herinneren het ons. Hij spreekt tot hen, die de wet kennen, voor wie op elke sabbatdag Mozes in hun synagogen gelezen werd. Gij hebt gehoord, dat tot de ouden, of tot hen uit den ouden tijd, tot uwe voorvaderen, de Joden, gezegd is, Gij zult niet doden. De wetten van God zijn gene nieuwe, plotseling ingevoerde wetten, zij werden hun van ouds overgeleverd, het zijn oude wetten, maar van zulk een aard, dat zij nooit verouderd zijn. De zedelijke wet komt overeen met de wet der natuur, en de eeuwige regelen en redenen van goed en kwaad, dat is de rechtheid van den eeuwigen Geest. Doden wordt hier verboden, ons zelven doden, iemand anders doden, middellijk of onmiddellijk, of door er op de ene of andere wijze medeplichtig aan te zijn. De wet van God, den God des levens, is ene beschermende omtuining van ons leven. Het was een der geboden aan Noach, Genesis 9:5, 6.
II. De verklaring van dit gebod, waarmee de Joodse leraren zich tevreden stelden, -hun uitlegging was: Wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht. Dat was alles wat zij er over wisten te zeggen, n.l. dat moedwillige moordenaars blootgesteld waren aan het zwaard der gerechtigheid, en onwillekeurige doodslagers aan het gericht der vrijsteden. De gerechtshoven zaten in de poort van hun voornaamste steden, de rechters waren gewoonlijk drie en twintig in getal, dezen ondervraagden, veroordeelden en volvoerden het doodvonnis aan moordenaren, zodat al wie doodde, strafbaar was voor hun gericht. Nu was deze hun uitlegging van dit gebod, gebrekkig, want zij gaf te kennen: Dat de wet van het zesde gebod slechts uitwendig was, en niets anders verbood dan moord, de daad van doden, en geen beslag legde op de innerlijke wellusten, waaruit krijgen en vechterijen voortkomen. Dat was de proton pseudos, de gronddwaling, van de Joodse leraren, dat de Goddelijke wet slechts de zondige daad verbood, niet de zondige gedachte. Zij waren geneigd haerere in cortice -aan de letter der wet -te blijven hangen, en deden geen onderzoek naar de geestelijke betekenis er van. Zolang Paulus een Farizeeër was, deed hij dit niet, totdat de Goddelijke genade hem door den sleutel van het tiende gebod liet inkomen in de kennis van den geestelijken aard van al de overigen, Romeinen 7:7, 14. Ene andere dwaling van hen bestond hierin, dat dit een bloot politieke en burgerlijke wet was, hun gegeven en bestemd tot een richtsnoer voor hun ge- rechtshoven, en niets meer, alsof zij het enige volk waren, en de wijsheid der wet met hen moest sterven.
III. De verklaring, die Christus gaf van dit gebod, en wij zijn er zeker van, dat wij overeenkomstig Zijne verklaring er van, hiernamaals geoordeeld zullen worden, en er ons dus nu door moeten laten leiden. Het gebod is zeer wijd, en moet niet beperkt worden door den wil van het vlees, of den wil des mans. 1. Christus zegt hun, dat onbezonnen toorn moord is in het hart vers 22, Wie te onrechte op zijn broeder toornig is, overtreedt het zesde gebod. Door onzen broeder moet hier verstaan worden iedereen, al is het iemand van nog zo weinig betekenis, een kind, of een dienstbode, want uit enen bloede zijn wij allen gemaakt. Toorn is een natuurlijke hartstocht, er zijn gevallen, waarin toorn wettig en prijzenswaardig is, maar als wij zonder oorzaak toornig zijn, dan is toorn zondig. Het woord is eirkè, dat sine causâ, sine effectu, et sine modo zonder oorzaak, zonder goede uitwerking, en zonder gematigdheid, betekent, zodat de toorn dan zondig is,
a. Als die toorn niet rechtvaardig was uitgelokt, zonder oorzaak, of zonder goede oorzaak, of zonder grote, geëvenredigde oorzaak, als wij toornig zijn op kinderen of dienstboden wegens iets, dat zij niet konden helpen, voor een vergeten of vergissen, dat ons zelven heel licht zou kunnen overkomen, en waarover wij niet toornig zouden geweest zijn op ons zelven, als wij toornig worden door ongegronde vermoedens, of om ene nietige belediging, waarvan het niet der moeite waard is te spreken.
b. Als het een toorn is, waarbij men geen goed doel op het oog heeft, en slechts dienen moet om ons gezag te laten gelden, of aan een dierlijken hartstocht toe te geven, onzen wrok aan de mensen te koelen, en ons zelven te prikkelen tot wraakoefening, dan is hij ijdel en doet kwaad, terwijl, als wij toornig zijn, het wezen moest, om den schuldige tot berouw en bekering te brengen, en te voorkomen, dat hij in dezelfde zonde zal vervallen, om ons te verantwoorden, 2 Corinthiërs 7:11, en anderen te waarschuwen.
c. Als de toorn de betamelijke grenzen te buiten gaat, als wij hard en stijfhoofdig zijn in onzen toorn, driftig en heftig, beledigend en kwaadaardig, en hen zoeken te schaden, op wie wij misnoegd zijn. Dat is een overtreden van het zesde gebod, want hij, die op deze wijze toornig is, zou doden, indien hij durfde, hij heeft er den eersten stap reeds toe gedaan. Kaïns doden van zijn broeder begon in toorn, in het oog van God is hij een moordenaar, want God kent het hart, waaruit moord voortkomt, Hoofdstuk 15:19.
2. Hij zegt hun, dat smadelijke taal te bezigen jegens onzen broeder moord is van de tong, hem noemende Raka, en Gij dwaas. Als dit in zachtmoedigheid gezegd wordt, en tot een goed doeleinde, om anderen van hun ijdelheid en dwaasheid te overtuigen, dan is het niet zondig. Zo zegt Jakobus: O ijdel mens! en Paulus: Gij dwaas, en Christus zelf: O onverstandigen en tragen van hart. Maar als het voortkomt uit toorn en innerlijke kwaadaardigheid, dan is het de rook van het vuur, dat in de hel ontstoken is, en is van dezelfde hoedanigheid.
a. Raka is een woord van minachting, en komt voort uit hoogmoed, het is de taal van hetgeen Salomo noemt hovaardige verbolgenheid, Prediker 21:24, die onzen broeder vertreedt, het versmaadt om hem bij de honden van onze kudde te stellen. Deze schare die de wet niet weet, is vervloekt, is zulk ene taal, Johannes 7:49.
b. Gij dwaas, is een spijtig woord, en komt voort uit haat, op hem ziende, niet alleen als gering en gene eer waardig, maar als laag, en gene liefde waardig: "Gij slechtaard, gij verworpeling." Het eerste noemt iemand zonder verstand, het tweede noemt (naar de taal der Schrift) iemand zonder genade. Hoe meer de smaad den geestelijken toestand raakt, hoe erger hij is. Het eerste is een hovaardig smalen op onzen broeder, het tweede is een boosaardig bedillen en veroordelen van hem, als iemand, die door God verlaten is. Dit nu is een overtreden van het zesde gebod, boosaardige laster en bedilling zijn vergift onder de lippen, dat in het verborgen en langzaam doodt, bittere woorden zijn als pijlen, die plotseling wonden, Psalm 64:4, of als een zwaard in het gebeente. Hierdoor wordt de goede naam van onzen naaste, die beter is dan leven, vermoord, en het is een blijk van zulk ene kwaadwilligheid jegens onzen naaste, dat zij ook zijn leven wel zou aantasten, indien het in onze macht ware.
3. Hij zegt hun, dat hoe gering zij nu ook over deze zonden mogen denken, zij er toch gewis verantwoording voor te doen zullen hebben: wie te onrechte op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht, en den toorn Gods, wie hem Raka noemt, zal strafbaar zijn door den groten raad, gestraft worden door het Sanhedrin wegens het smaden van een Israëliet, maar wie zegt: Gij dwaas, gij onheilig mens, gij kind der hel, zal strafbaar zijn door het helse vuur, waartoe hij zijn broeder veroordeelt, aldus de mening van den geleerde. Sommigen denken, dat Christus, met toespeling op de straffen, welke door de gerechtshoven onder de Joden opgelegd werden, aantoont, dat de zonde van roekelozen, onrechtvaardigen toorn de mensen blootstelt aan de mindere of meerdere straffen, overeenkomstig de trap of mate der handelwijze. De Joden hadden drieërlei doodstraffen: onthoofding, welke straf opgelegd werd door het gericht, steniging, opgelegd door den raad, of het Sanhedrin, en verbranding in het dal van Hinnom, dat alleen in buitengewone gevallen werd toegepast. De betekenis dus is: dat roekeloze toorn en smadelijke taal doemwaardige zonden zijn, maar sommigen zijn zondiger dan anderen, en dienovereenkomstig is er ook ene zwaardere veroordeling en strenger straf voor hen weggelegd. Christus wilde dus aantonen welke zonde het meest zondig is, door aan te duiden, welke straf er van het vreselijkst zal zijn.
IV. Uit dit alles wordt hier nu afgeleid, dat wij met de uiterste zorge Christelijke liefde en vrede met al onze broederen moeten aankweken en bewaren, en dat, zo te eniger tijd ene breuke ontstaat, wij naar verzoening moeten streven, ons moeten verootmoedigen voor onzen broeder, hem om vergeving moeten vragen, en hem vergoeding moeten bieden voor het onrecht, dat hem in woord of daad is aangedaan, overeenkomstig den aard der zaak, en dat wij dit snel moeten doen, en wel om twee redenen:
1. Omdat wij, eer dit geschied is, ten enenmale ongeschikt zijn om in de heilige inzettingen gemeenschap te oefenen met God, vers 23 en 24. Het geval, dat verondersteld wordt, is: Dat uw broeder iets tegen u heeft, dat gij hem geschaad of beledigd hebt, hetzij in werkelijkheid of in zijne mening, indien gij de beledigde zijt, dan behoeft er geen uitstel plaats te hebben, indien gij iets hebt tegen uwen broeder, maak het er kort mede, er is niets te doen dan hem te vergeven, maar zo de twist door u is begonnen, en de schuld, hetzij in den beginne of daarna, aan uwe zijde is, zodat uw broeder iets tegen u heeft, ga heen, en verzoen u met hem, eer gij uwe gave op het altaar offert, eer gij plechtig tot God nadert in den Evangelie-dienst van gebed en dankzegging, het woord horende, of de sacramenten ontvangende. Merk hierbij op:
a. Als wij ons tot enigerlei Godsdienstige verrichting begeven, dan is het goed om die gelegenheid te gebruiken tot ernstig nadenken en zelf-onderzoek. Er zijn vele dingen om aan te denken, als wij onze gaven op het altaar brengen, dit bijvoorbeeld, of onze broeder ook iets tegen ons heeft, indien ooit, dan is het nu, dat wij tot ernst geneigd zijn, en dus behoren wij ons zelven te onderzoeken. b. Godsdienstige verrichtingen zijn Gode niet welbehaaglijk, als zij geschieden in ene toornige gemoedsgesteldheid, afgunst, nijd en liefdeloosheid zijn zonden, die God zo zeer mishagen, dat niets Hem kan behagen, dat voortkomt uit een hart, waarin zij heersen, 1 Timotheus 2:8. Gebed in ene toornige gemoedsgesteldheid is in gal geschreven, Jesaja 1:15, 58:4.
c. Liefde is zo veel beter dan alle brandoffers en offeranden, dat God eerst verzoening wil met een beledigden broeder, eer de gave geofferd wordt. Hij wil liever wachten op de gave, dan dat zij geofferd wordt terwijl wij onder schuld zijn en in twist zijn gewikkeld.
d. Hoewel wij ongeschikt zijn voor gemeenschapsoefening met God, wanneer wij in voortdurenden twist zijn met een broeder, kan dit toch niet als ene verontschuldiging gelden voor het verzuimen of veronachtzamen van onzen plicht. "Laat daar uwe gave voor het altaar, opdat gij, weggegaan zijnde, niet in verzoeking komt om niet weer te keren." Velen geven dit op als een reden, waarom zij niet in de kerk of aan het Avondmaal komen, dat zij in geschil zijn met een nabuur, en wiens schuld is dit? De ene zonde kan nooit ter verontschuldiging dienen van ene andere zonde, maar zal veeleer de schuld verdubbelen. Gebrek aan liefde kan het gebrek aan Godsvrucht niet rechtvaardigen. De moeilijkheid is gemakkelijk uit den weg te ruimen, hun, die ons verongelijkt hebben, moeten wij vergeven, en aan hen, die door ons verongelijkt werden, moeten wij voldoening geven, of er tenminste de aanbieding toe doen, en de wens tot vernieuwing der vriendschap moet te kennen worden gegeven, zodat het niet onze schuld is zo er gene verzoening plaats vindt, en komt dan en offert uwe gaven, en zij zal aangenomen worden. Daarom moeten wij op geen dag de zon onder laten gaan over onze toornigheid, omdat wij, eer wij gaan slapen, in het gebed moeten gaan, en nog veel minder moeten wij op een sabbatdag de zon onder laten gaan over onze toornigheid, omdat dit de dag des gebeds is.
2. Omdat, voor dit geschied is, wij blootgesteld zijn aan veel gevaar, vers 25, 26. Wij moeten dus streven naar vrede en eensgezindheid, en dat wel spoedig, om twee redenen:
a. Om ene tijdelijke reden. Indien het onrecht, dat wij onzen broeder hebben aangedaan, in zijn persoon, zijne bezittingen of zijn goeden naam, van zulk een aard is, dat er een proces uit kan voortkomen, waardoor hem wellicht ene aanzienlijke schadevergoeding van ons kan toegewezen worden, wij doen dus verstandig, en handelen plichtmatig jegens ons eigen gezin, om dit te voorkomen door ene nederige onderwerping, ene rechtvaardige en vreedzame voldoening, opdat hij dit niet door de strengheid der wet van ons verkrijge, en ons nog tot het uiterste van gevangenisstraf zal brengen. In zulk een geval is het beter om ene schikking te treffen dan te volharden, want het is ijdel om met de wet te twisten, en men loopt licht gevaar van er door verpletterd te worden. Velen maken zich arm door hardnekkig voort te gaan met het onrecht en hun beledigingen, terwijl door een weinig toegeven in het begin de zaak in der minne geschikt had kunnen worden. Salomo, s raad voor het geval van ene borgstelling is: Ga, onderwerp u zelven, beveilig u aldus, en red u, Prediker 6:1-5. Het is goed om te vereffenen, want de wet is duur. Gelijk wij barmhartig moeten zijn jegens hen, over wie wij macht hebben, zo moeten wij ook rechtvaardig zijn jegens hen, die macht hebben tegen ons, voor zoveel wij dit kunnen. "Weest haastelijk welgezind jegens uwe wederpartij, kom snel met hem overeen, opdat hij niet, verbitterd over uwe hardnekkigheid, bij zijn hoogsten eis tegen u blijft, en in gene schikking wil treden, waartoe hij in het eerst wel genegen zou geweest zijn." Ene gevangenis is een onaangenaam verblijf voor hen, die er zich door hun eigen hoogmoed, hun verkwisting, hun eigenzinnigheid en dwaasheid in gebracht hebben. b. Om ene geestelijke reden. Ga heen en verzoen u met uwen broeder, wees rechtvaardig, wees vriendelijk jegens hem, want, gelijk gij, zolang de twist duurt, ongeschikt zijt, om uwe gave op het altaar te brengen, ongeschikt om tot de tafel des Heeren te komen, zo zijt gij ook ongeschikt om te sterven. Indien gij volhardt in deze zonde, dan is er gevaar, dat gij plotseling wordt weggenomen door den toorn van God, aan wiens oordeel gij noch kunt ontkomen, noch u er tegen kunt verzetten, en indien deze ongerechtigheid ten uwen laste komt, dan wacht u een eeuwig verderf." De hel is ene gevangenis voor allen, die leven en sterven in ene gemoedsstemming van nijd en liefdeloosheid, voor allen, die twistgierig zijn, Romeinen 2:8, en uit die gevangenis is er gene verlossing, gene ontkoming in der eeuwigheid. Dit is zeer toepasselijk op de grote zaak van onze verzoening met God door Christus.
Weest haastelijk welgezind jegens Hem, terwijl gij op den weg zijt. De grote God is een wederpartij voor alle zondaren, Antidikos, een wet- of gerechtigheids-wederpartij, Hij heeft een twistgeding met hen. Het is in ons belang om met Hem overeen te komen, ons aan Hem te gewennen, ten einde vrede te hebben, Job 22:21, 2 Corinthiërs 5:20. Wij handelen verstandig, als wij dit haastelijk doen, terwijl wij op den weg zijn. Terwijl wij in leven zijn, zijn wij op den weg, na den dood zal het te laat zijn, daarom: geef uwen ogen geen slaap voordat dit gedaan is. Zij, die in een toestand blijven van vijandschap tegen God, zijn voortdurend blootgesteld aan het arrest Zijner gerechtigheid, en de schrikkelijkste uitwerking van Zijn toorn. Christus is de Rechter, aan wie alle onboetvaardige zondaren overgeleverd zullen worden, want al het oordeel is den Zoon gegeven: Hem, die verworpen werd als Zaligmaker, kan men niet ontkomen als Rechter, Openbaring 6:16, 17. Het is ontzettend om aldus den Heere Jezus overgeleverd te worden, als het Lam een Leeuw zal zijn geworden. Engelen zijn de beambten, aan wie Christus hen zal overleveren, Hoofdstuk 13:41, 42, de duivelen zijn dit ook, daar zij, als de volvoerders der oordelen aan alle ongelovigen, het geweld des doods hebben, Hebreeën 2:14. De hel is de gevangenis, waarin al diegenen geworpen zullen worden, die in een staat van vijandschap tegen God blijven. 2 Petrus 2:4. Veroordeelde zondaren moeten er eeuwiglijk in blijven, zij zullen er niet uitkomen, totdat zij den laatsten penning zullen betaald hebben, en dat zal tot in eeuwigheid niet zijn: aan de Goddelijke gerechtigheid zullen zij nooit kunnen voldoen.