Spreuken 9:13-18
Wij hebben gehoord wat Christus te zeggen heeft om onze liefde voor God en Godsvrucht op te wekken, en men zou denken dat de gehele wereld bereid zou zijn aan Zijn opwekking gevolg te geven, maar hier wordt ons gezegd hoe naarstig de verzoeker er op uit is om zielen die niet op haar hoede zijn, op de paden van de zonde te lokken, en hoe hij bij de meesten zijn doel bereikt, en het aanzoek van de wijsheid afgewezen wordt. Merk nu op:
1. Wie de verzoeker is: een dwaze vrouw de dwaasheid zelf in tegenstand met de wijsheid. Ik houd het ervoor, dat met de zotte vrouw, vers 13, inzonderheid vleselijk, zinnelijk genot bedoeld is, want dat is de grote vijand van de deugd, die de deuren openzet voor de ondeugd, deze zonde verontreinigt en verderft het gemoed, verdooft het geweten, blust de vonken uit van de overtuiging, meer dan wat het ook zij. Deze verzoekster wordt hier beschreven als:
a. Zeer onwetend te zijn, zij is onwijs en weet niet met al, zij heeft geen genoegzaam, solide verstand om aan te bieden, als zij heerschappij verkrijgt in een ziel, zal zij er al de kennis van heilige dingen uit wegdrijven, die is dan verloren en vergeten. Hoererij en wijn en most neemt het hart weg, zij verdwaast de mensen, maakt hen stompzinnig.
b. Als zeer lastig en indringend. Hoe minder zij iets redelijks heeft aan te bieden, hoe heftiger en dringender zij is, en dikwijls zal zij door kracht van onbeschaamdheid haar doel bereiken. Zij is woelachtig en luidruchtig, vers 13, onophoudelijk valt zij de jonge lieden aan met haar verlokkingen. Zij zit aan de deur van haar huis, vers 14, uitziende naar een prooi, niet zoals Abraham aan de deur van zijn tent zat, uitziende naar een gelegenheid om goed te doen. Zij zit op een stoel, (op een troon luidt het in het oorspronkelijke) op de hoge plaatsen van de stad, alsof zij met gezag was bekleed om de wet te geven, en wij allen schuldenaars waren aan het vlees om naar het vlees te leven, en alsof zij eer en achting genoot en de hoge plaatsen van de stad waardig werd geacht, en misschien werkt zij bij velen meer uit door voor te geven in zwang te zijn, dan door voor te geven aangenaam te wezen. "Staan alle personen van rang en aanzien in de wereld," zegt zij, "zich niet meer vrijheid toe dan de strenge wetten van de deugd veroorloven, en waarom zoudt gij u dan zo vernederen om er u door te laten beperken?" Aldus neemt de verzoekster de schijn aan van beide groot en voornaam en vriendelijk te zijn.
2. Wie het zijn, die verzocht worden. Het zijn jonge lieden, die een goede opvoeding genoten hebben, deze te verderven zal haar grootste triomf zijn.
a. Wat hun wezenlijk karakter is, het zijn personen, die op de weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, vers 15, die opgevoed zijn in de paden van Godsdienst en deugd, wier begin veelbelovend was, goede hoop voor hen gaf, besloten en bestemd schenen te zijn voor het goede, en die niet, (zoals de jongeling, Hoofdst. 7:8) de weg van haar huis betraden. Op de zodanigen heeft zij het gemunt, voor hen spant zij haar strikken, stelt zij al haar kunstgrepen tewerk, vertoont zij al haar bekoorlijkheden teneinde hen te verderven. Als zij hun paden recht maken, rechtuit voortgaan op hun weg, haar niet willen aanzien, dan zal zij hen roepen, zo dringend zijn deze verzoekingen. b. Hoe zij hen voorstelt, zij noemt hen onwijzen en verstandelozen, en daarom dringt zij bij hen aan om in haar school te komen, opdat zij genezen zullen worden van de banden en formaliteiten van de Godsdienst. Dit is de methode van het toneel (dat een maar al te duidelijke verklaring en uitlegging is van deze paragraaf), waar de sobere jongeling, die goed en deugdzaam is opgevoed, tot de zot van het spel wordt gemaakt, en de toeleg is om hem tweemaal meer een kind van de hel te maken dan zijn metgezellen, onder schijn van hem te ontbolsteren en te beschaven, en hem voor een man van de wereld en van de mode te doen doorgaan. Wat met recht aan zonde en goddeloosheid ten laste wordt gelegd, vers 4, namelijk dat zij dwaasheid is, wordt hier zeer onrechtvaardiglijk teruggeworpen op de wegen van de deugd, maar in de grote dag zal het gezien worden wie de dwazen zijn.
3. Waarin de verzoeking bestaat, vers 17. Gestolen wateren zijn zoet. Het is water en brood, terwijl de wijsheid uitnodigt voor het vee, dat zij geslacht heeft, en de wijn, die zij heeft gemengd. Maar brood en water zijn aangenaam genoeg aan hen, die honger en dorst hebben, en dit wordt voorgesteld als aangenamer en zoeter dan gewoon water, want het zijn gestolen wateren, en het is brood, dat in het verborgen wordt gegeten, uit vrees dat het ontdekt zal worden. De genietingen van verboden lusten worden geroemd als kostelijker dan die van wettige liefde, en aan oneerlijk gewin wordt de voorkeur gegeven boven hetgeen op eerlijke wijze werd verkregen. Dit nu geeft te kennen, niet alleen een vermetele minachting, maar een onbeschaamd trotseren:
a. Van Gods wet, door het voor te stellen dat de wateren zoveel zoeter zijn, omdat zij gestolen werden, verkregen zijn door heen te breken door Gods wet. "Nitimur in vetitum Wij haken naar het verbodene." Deze geest van tegenspraak hebben wij van onze eerste ouders die van de verboden boom dachten dat hij boven al de andere begeerlijk was.
b. Van Gods vloek. Het brood wordt in het verborgen gegeten uit vrees voor ontdekking en straf, en de zondaar is er trots op dat hij over zijn overtuigingen heeft gezegevierd, dat hij, in weerwil van die vrees, de zonde durft begaan en zich wijs kan maken dat het, in het verborgen gegeten zijnde, niet ontdekt zal worden en er ook niet voor afgerekend zal worden want zoetheid en lieflijkheid is het lokaas maar de verzoekster zelf toont aan, dat dit ongerijmd is, en dat er zulke bittere bijmengselen in zijn, dat het eer wonder is hoe het invloed kan hebben op mensen, die aanspraak maken op gezond verstand.
4. Een krachtig tegengif tegen de verzoeking in weinig woorden, vers 18. Hij, aan wie zozeer verstand ontbreekt, dat hij door deze vertakkingen ter zijde afgewend wordt, zal onwetend zijn eigen onvermijdelijk verderf tegemoet gaan, hij weet niet, wil niet geloven, bedenkt niet, de verzoekster wil niet dat hij het weet, dat aldaar doden zijn, dat zij, die in genot leven, dood zijn terwijl zij leven, dood zijn in misdaden der zonde. Deze genietingen gaan vergezeld van verschrikkingen, als de verschrikkingen des doods zelf. De reuzen zijn daar, Refaïm, dat was het wat de zondaren van de oude wereld ten verderve bracht, de reuzen die in die tijd op de aarde waren. Hare genoden, haar gasten, die op deze gestolen wateren onthaald worden, zijn niet slechts op de grote weg naar de hel, zijn niet slechts op de rand ervan, maar zijn reeds in de diepten van de hel onder de macht van de zonde, gevangen gelegd naar Satans wil, soms gezweept en gegeseld door de verschrikkingen van hun eigen geweten, hetgeen een hel is op aarde. De diepten van Satan zijn de diepten van de hel, gewetenloos zondigen is onherstelbaar verderf. Aldus toont Salomo de haak, zij die hem geloven zullen zich niet inlaten met het aas.