Spreuken 8:32-36
Wij hebben hier de toepassing van de rede van de wijsheid, doel en strekking ervan is ons allen tot een volstrekte en algehele onderworpenheid te brengen aan de wetten van de Godsdienst, ons wijs en Godvruchtig te maken, niet ons hoofd te vullen met bespiegelingen, of onze tong met twistingen, maar om hetgeen verkeerd is in ons hart en ons leven recht te zetten. Te dien einde is hier:
I. Een vermaning om de stem van de wijsheid te horen en te gehoorzamen, met het goede onderwijs, dat het Woord van God ons geeft, in te stemmen en het aan te nemen, en er de stem van Christus in te onderscheiden, zoals de schapen de stem des herders kennen.
1. Wij moeten vlijtige hoorders zijn van het Woord, want hoe kunnen wij geloven in Hem van wie wij niet gehoord hebben? "Nu dan, kinderen, hoort naar mij," vers 32, meest het geschreven Woord, woont de prediking des Woords bij, dankt God voor beide, en hoort in beide Hem spreken tot u." Laat kinderen op jeugdige leeftijd horen, want dat is de leeftijd, waarin zij leren, en waar zij dan naar luisteren, zal invloed op hen hebben, zodat zij er waarschijnlijk hun leven lang door geregeerd zullen worden en zij zich dan inderdaad als haar kinderen zullen betonen.
Wij moeten de woorden van de wijsheid horen:
A. Met onderworpenheid en met een gewillig hart, vers 33. Hoort de tucht en wordt wijs, en verwerpt die niet, hetzij als hetgeen dat gij niet nodig hebt, of als iets waar gij niet van houdt, zij wordt u aangeboden als een vriendelijkheid, een weldaad, en het is op uw gevaar zo gij haar verwerpt. Zij, die de raad Gods verwerpen, verwerpen hem tegen zichzelf.
B. Voortdurend en met een aandachtig oor. Wij moeten de wijsheid zo horen, dat wij wakende zijn aan haar poorten, zoals bedelaars om een aalmoes te ontvangen, zoals cliënten om raad te ontvangen, en te wachten met nederigheid en geduld, zoals dienstknechten de posten harer deuren waarnemen. Zie hier welk een goed huis de wijsheid houdt, want iedere dag is een uitdelingsdag. Terwijl wij Gods werken voor onze ogen hebben en Zijn Woord in onze handen is, kunnen wij iedere dag de wijsheid horen en onderwijs van haar ontvangen. Zie hier welk een gehoorzame en naarstige aandacht van al de discipelen van Christus geëist wordt: zij moeten waken aan Zijn poorten.
a. Wij moeten alle gelegenheden aangrijpen om kennis en genade te verkrijgen en in gestadige gemeenschap met God komen en blijven.
b. Wij moeten zeer nederig zijn in ons ontvangen van Goddelijk onderricht en blijde zijn met iedere plaats, ook de geringste, waar wij in de gelegenheid zijn om het te horen, zoals David, die gaarne een dorpelwachter had willen zijn in het huis van God.
c. Wij moeten hoge verwachtingen hebben van dit onderwijs en er zorgvuldig naar luisteren, met geduld en volharding waken en wachten, zoals de hoorders van Christus, die aan Hem hingen om Hem te horen, zoals in Lukas 19:48 de oorspronkelijke betekenis is van het woord, en des morgens vroeg kwamen om hem te horen, Lukas 21:38. 2. Wij moeten nauwgezette daders zijn van het werk, want wij zijn alleen gelukzalig in ons doen. Het is niet genoeg naar de woorden van de wijsheid te luisteren, wij moeten ook haar wegen bewaren vers 32 alles doen wat zij voorschrijft binnen de heiningen blijven van haar wegen en ze niet overtreden, in het spoor blijven van haar wegen, er op voortgaan en erin volharden. Hoort de tucht en wordt wijs, laat het een middel wezen om uw wandel te regelen. Wat we weten, weten wij tevergeefs, zo het ons niet wijs doet worden, vers 33.
II. Een verzekering van gelukzaligheid aan allen, die naar de wijsheid horen. Zij zijn welgelukzalig, vers 32, en wederom, vers 34. zij zijn welgelukzalig, die waken en wachten aan de poorten van de wijsheid, zelfs hun zijn aldaar is hun gelukzaligheid, het is de beste plaats, waarin zij zich kunnen bevinden, zij zijn welgelukzalig, die aldaar wachten, want zij zullen niet lang behoeven te wachten, laat hen voor een wijle blijven kloppen, en hun zal opengedaan worden. Zij zoeken wijsheid, en zij zullen vinden wat zij zoeken, maar zal dit vinden hun moeite lonen? Ja, vers 35. Die mij vindt, vindt het leven, alle geluk, al het goede dat hij behoeft, of kan begeren. Hij vindt leven in die genade, welke het beginsel is van geestelijk leven, en het onderpand van het eeuwige leven. Hij vindt leven, en zal gunst verkrijgen van de Heere, vers 35 en in Zijn gunst is leven. Indien het welbehagen des konings is over een verstandige knecht, veel meer nog is het welbehagen van de Koning der koningen over hem. Christus is wijsheid en hij, die Christus vindt, deel in Hem verkrijgt vindt het leven, want voor alle gelovigen is Christus leven, die de Zoon van God heeft, heeft leven, eeuwig leven, en hij zal gunst van de Heere verkrijgen die een welgevallen heeft aan allen, die in Christus zijn, en wij kunnen geen gunst van God verkrijgen, tenzij wij Christus vinden en in Hem gevonden worden.
III. Het oordeel uitgesproken over allen, die de wijsheid en haar voorstellen verwerpen vers 36. Zij worden overgelaten om zichzelf in het verderf te storten, en de wijsheid zal er hen niet in tegengaan, omdat zij al haar raad verworpen hebben.
1. Hun misdaad is zeer groot, zij zondigen tegen de wijsheid, rebelleren tegen haar licht en haar wetten, staan haar plannen en bedoelingen tegen, zij zondigen tegen Christus, Zij handelen in minachting van Zijn gezag en in tegenspraak met al de bedoelingen van Zijn leven en Zijn dood. Dit wordt verklaard en uitgelegd als een haten van de wijsheid, een haten van Christus, het zijn Zijn vijanden, zij willen niet dat Hij Koning over hen zal zijn. Wat kan erger wezen dan Hem te haten, die het middelpunt is van alle schoonheid, de fontein is van alle goedheid, de liefde zelf is?
2. Hun straf zal zeer rechtvaardig wezen, want zij brengen haar moedwillig over zichzelf.
a. Zij, die Christus beledigen, doen zichzelf het grootste onrecht aan, zij doen hun ziel geweld aan, zij wonden hun eigen geweten, brengen een vlek en smet over hun ziel, waardoor zij hatelijk en afzichtelijk worden in de ogen van God, en ongeschikt zijn om gemeenschap met Hem te oefenen, zij misleiden zichzelf, beroeren zichzelf, verderven zichzelf, zonde is een onrecht aan de ziel.
b. Zij, die in onenigheid zijn met Christus, hebben hun eigen verderf lief, allen die mij haten, hebben de dood lief, zij beminnen hetgeen hun dood zal zijn, en doen van zich weg hetgeen hun leven zou wezen. Zondaren sterven omdat zij willen sterven, hetgeen hun iedere verontschuldiging beneemt, hun verdoemenis zoveel ondraaglijker maakt, en tot in eeuwigheid God zal rechtvaardigen, als Hij oordeelt. O Israël, gij hebt u zelf verdorven, Hosea 13:9.