2. De goede, die eerlijk en met eenvoudigheid zijnen weg bewandelt, zal, als oogst van hetgeen hij gezaaid heeft, een welgevallen trekken van den HEERE; genade en hulp zal hem ten deel vallen, zijn werk zal hem gelukken, en hij zal in de wereld voortkomen (
Hoofdstuk 2:7); maar enen man van schandelijke verdichtselen, die vol listigheid en streken is, en met fijne sluwheid overal zijn voordeel zoekt, zal Hij verdoemen 1), door tijdelijk ongeluk en het eeuwig verderf.
1) God, onze Vader, oordeelt over Zijne kinderen uit hun gedrag jegens elkaar, en derhalve is hij een goed man, die ontfermend, milddadig en liefhebbend te werk gaat omtrent zijne naasten; en zulk ene heeft ook staat te maken op de gunste en de goedkeuring van God en op de verhoring zijner gebeden, maar een boosaardig, een opzettelijk beschadigend mens voor anderen, en die er op uit is, om schandelijkheden en nadelen te verrichten en te bewerken tegen zijne naaste, zal van God veroordeeld en verworpen worden, als onwaardig om ene plaats in Zijn koninkrijk te erlangen.. 3. De mens zal niet bevestigd worden door zijne goddeloosheid; zijn geluk zal niet verzekerd worden, hoezeer hij zich ook afslooft met sluwheid en list, en hoe zeker hij zich ook waant; a) maar de wortel der rechtvaardigen maakt zich vast in den eeuwigen, onveranderlijken God, en zaldaarom in eeuwigheid niet wankelen of bewogen worden 1) (Psalm 1:3, Jesaja 44:4. Jeremia 17:6,8. Mattheus 7:24,.
a) Spreuken 10:25.
1) De rechtvaardige heeft zijn wortel in God den Heere en daarom, hevige stormen mogen over hem woeden, maar hij zal niet uitgerukt worden uit den bodem, waarin de Drie-enige God hem zelf heeft geplant. Wie God heeft tot zijn deel, heeft alles-