Spreuken 29:3
Beide delen van dit vers herhalen wat dikwijls gezegd werd, maar ze met elkaar vergelijkende, wordt de zin ervan uitgebreider.
1. Het zij tot eer van een deugdzame jongen man opgemerkt, dat hij wijsheid bemint, hij is een filosoof, (want dat woord betekent een beminnaar van wijsheid) want godsdienst is de beste filosofie. Hij vermijdt slecht gezelschap, inzonderheid dat van slechte vrouwen, daarmee verblijdt hij zijn ouders en hij heeft de voldoening van hun tot troost te zijn, bij vermeerdert zijn bezitting, en zal waarschijnlijk in welvaart leven.
2. Zij het opgemerkt tot schande van een ondeugdzame jongen man, dat hij de wijsheid haat, hij is een metgezel van schaamteloze vrouwen die hem ten verderve zullen brengen naar ziel en lichaam. Hij bedroeft zijn ouders en, zoals de verloren zoon, brengt hij hun goed door met hoeren. Niets zal de mensen sneller tot armoede brengen dan de hartstocht van de onkuisheid, en het beste voorbehoedmiddel tegen deze verdervende lusten is wijsheid.