Spreuken 29:11
1 Het is een blijk van zwakheid om al te openhartig te zijn, hij is een zot, die zijn gehele geest uitlaat, die alles zegt wat hij weet en dadelijk in zijn mond heeft wat hij in zijn gedachten heeft, en niet kan zwijgen, die over alles wat in een gesprek wordt aangeroerd, meespreekt, die, als hij geprikkeld wordt, alles zegt wat hem voor de mond komt, wie het ook zij, die door zijn afkeurende opmerking getroffen wordt, die, als hij over enigerlei zaak moet spreken, alles zal zeggen wat hij denkt, en toch nooit denkt genoeg gezegd te hebben, of het koren of kaf is, gepast of ongepast is, gij zult het alles hebben.
2. Het is een blijk van verstand dat men bescheiden en terughoudend is, de wijze laat niet terstond zijn gehele geest uit, maar zal zich tijd geven om nader te bedenken, of zijn tegenwoordige gedachte terughouden tot aan een geschikter tijd, wanneer het gepaster is om haar uit te spreken en beter aan zijn bedoeling zal beantwoorden, hij zal zijn gedachten niet uiten in een aaneengeschakelde redevoering maar met tussenpozen, teneinde te horen wat er tegen ingebracht kan worden, om dan op die tegenwerpingen te antwoorden.