Daniël 10:10-21
Het kost heel wat om Daniël in staat te stellen te verdragen, wat Christus hem te zeggen heeft. Nog steeds is hij verschrikt, en komt niet dan heel langzaam weer tot zichzelf, maar hij wordt nog steeds toegesproken en opgebeurd door goede vertroostende woorden. Laat ons zien, hoe Daniël trapsgewijze tot zichzelf gebracht wordt, en de verschillende zinsneden nagaan, die daarop betrekking hebben.
1. Daniël is in groote ontsteltenis, en vindt het zeer moeilijk om die te overwinnen. De hand, die hen aanroerde, maakte eerst, dat hij zich bewoog op zijne knieen en de palmen zijner handen, vers 10. Kracht en troost komen gewoonlijk trapsgewijze tot hen, die lang verslagen en ontrust zijn geweest, eerst worden zij een weinig op de been geholpen en dan meer. Na twee dagen zal Hij ons levend maken, en op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen. En wij moeten den dag der kleine dingen niet verachten, maar dankbaar zijn, ook voor een begin van genade. Later wordt hij op de been geholpen maar hij staat bevende, vers 11, uit vrees van opnieuw te vallen. Voordat God Zijn volk sterkte en krachten geeft, doet Hij hen hun zwakheid beseffen. Ik werd beroerd in mijne plaats, zekerlijk ik zal rusten, Habakuk 3:16. Maar als Daniël later zooveel kracht in zijne ledematen terugkrijgt, dat hij vast kan staan, zegt hij ons toch, vers 15 dat hij zijn aangezicht ter aarde sloeg en stom werd, hij was als een, die verbaasd is en niet weet, wat te zeggen, met stomheid geslagen door vrees en bewondering, en hij was afkeerig het gesprek te beginnen met een, die zoover boven hen stond, hij zweeg van het goede, totdat hij een weinig tot zichzelf gekomen was. Ten laatste herkreeg hij niet alleen het gebruik van zijne voeten, maar ook het gebruik van zijne tong, en, toen h4 zijn mond opendeed, vers 16 was het eerste wat hij zeide eene verontschuldiging, dat hij zoo lang gezwegen had, want inderdaad hij durfde niet spreken. "Mijn Heere", zoo noemt deze profeet, in groote nederigheid, den engel, hoewel de engelen, in groote nederigheid, zich de mededienstknechten der profeten noemden Openbaring 22:9, "om des gezichts wil keeren zich mijne weeën over mij, zij bestormen mij met geweld, het besef van mijn zondigen smartelijken staat keert zij h over mij, als ik uwe zuiverheid en glans aanschouw." De mensch, die zijn reinheid verloren heeft, heeft reden om te blozen, en zich te schamen, als hij de heerlijkheid der gezegende engelen, die zich onbevlekt gehouden hebben, ziet en overdenkt. "Mijne weeën keeren zich over mij, zoodat ik geen krachs behoude om er weerstand aan te bieden of het hoofd omhoog te houden." En opnieuw, vers 17, als een, die half dood is van den schrik, klaagt hij: "Wat mij aangaat, van nu af bestaat geen kracht in mij om deze ontdekkingen van de goddelijke heerlijkheid en deze openbaringen van den goddelijken wil te ontvangen, ja, er is geen adem in mij overgebleven." Zoo ernstig was hij aangedaan, dat hij buiten adem was, hijgde en steunde, en als `t ware zonder adem was. Zie, hoe goed het voor ons is, dat de schat der goddelijke openbaring in aarden vaten is gedaan, en dat God tot ons spreekt door menschen gelijk wij, en niet door engelen. Wat onze wensch ook is, in morrende ontevredenheid over de wijze, waarop God met ons handelt, zeker is, dat, als wij beproefd worden, wij allen zouden denken, wat de Israëlieten tot Mozes zeiden bij den berg Sinaï. Spreek gij met ons en wij zullen hooren, en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven, Exodus 20:19. Als Daniël het niet kon verdragen, hoe zouden wij het dan kunnen? Hierop legt hij den nadruk als verontschuldiging van zijn eerbiedig zwijgen, dat anders berispelijk zou zijn geweest: Hoe kan de knecht van dezen mijnen Heere spreken met mijnen Heere? vers 17. Zoo vaak wij in gemeenschap treden met God, past het ons een recht besef te hebben van den grooten afstand en het onevenredig verschil tusschen ons en de heilige engelen, en van den oneindigen afstand en het onmetelijk verschil tusschen ons en den heiligen God, en te erkennen dat wij niets ordelijk kunnen voorstellen vanwege de duisternis. Hoe zullen wij, die stof en asch zijn, tot den Heer der heerlijkheid spreken?
11. De gezegende engel, die met Christus sprak, gaf hem allen mogelijken troost en bemoediging. Het schijnt wel, dat Hij, Wiens heerlijkheid hij in een visioen zag, vers 5, 6, niet degene was, die hem hier aanroerde, en met hem sprak, dat was Christus, maar dit schijnt de engel Gabriel te zijn geweest, wien Christus eenmaal tevoren bevolen had Daniël te onderrichten, Hoofdstuk 8:16. Die heerlijke verschijning, evenals die van den God der heerlijkheid aan Abraham, Handelingen 7:2, moest gezag geven aan en de aandacht vestigen op wat de engel zeggen zou. Christus zelf troostte Johannes, toen hij in een zelfde geval, als dood aan zijn voeten viel, Openbaring 1:17, maar hier deed Hij het door den engel, dien Daniël in een luister zag, veel minder dan die van het visioen, in de voorgaande verzen, want hij was den menschenkinderen gelijk, vers 16, een in de gedaante van een mensch, vers 18. Toen hij alleen verscheen, zooals hij tevoren gedaan had, Hoofdstuk 9:21, werd hij daardoor volstrekt niet ontsteld, zooals door dit visioen, en daarom doet hij hier voor de derde maal dienst bij Daniël.
1. Hij gaf hem de hand om hem te helpen, roerde hem aan, en maakte, dat hij zich bewoog op knieen en handen, vers 10, anders zou hij zijn blijven kruipen, raakte zijne lippen aan, vers 16, anders zou hij stom gebleven zijn, wederom raakte hij hem aan, vers 18, en gaf hem kracht, anders zou hij zijn blijven waggelen en beven. De hand van Gods macht gepaard met het woord van Zijne genade is alleen bij machte aan al onze grieven tegemoet te komen, en te verbeteren wat er verkeerd in ons is. Eene aanraking van den hemel brengt ons op de knieën, stelt ons op onze voeten, opent onze lippen en sterkt ons, want het is God, die op ons werkt, en in ons werkt, beide het willen en het volbrengen van hetgeen goed is.
2. Hij verzekerde hem, dat hij hoog in de gunst stond bij God: Gij zijt een zeer gewenschte man, vers 11, en wederom, vers 19:Gij zeer gewenschte man. Niets is meer geschikt, en niets is beter in staat om de heiligen uit moedeloosheid op te wekken dan de verzekering dat God hen liefheeft. Inderdaad zeer gewenscht zijn degenen, die God liefheeft, en het is een genoegzame troost dat te weten.
3. Hij nam zijne vrees weg, en vuurde zijne hoop aan met goede woorden en met troostrijke woorden. Hij zeide tot hem: Vrees niet, Daniël vers 12, en wederom, vers 19:Vrees niet gij zeer gewenschte man, vrede zij u, wees sterk ja wees sterk. Geen teedere moeder suste ooit haar kind, als het zich bezeerd had of geschrikt was, met meer mededoogen en liefde dan de engel Daniël hier geruststelde. Die van God bemind zijn, hebben geen reden, om eenig kwaad te vreezen, zij hebben vrede, God zelf spreekt woorden des vredes tot hen, en op dien grond behooren zij die tot zichzelf te spreken, en die vrede, die blijdschap des Heeren, zal hunne sterkte zijn. Zal God naar de grootheid Zijner macht met ons twisten? Zal Hij gebruik maken van onze machteloosheid, daar wij Zijn schrik kennen? Neen, maar Hij zal acht op ons slaan, Job 23:6. Dat deed Hij op Daniël hier, toen hij geen kracht behield om des gezichts wil, en dat erkent hij, vers 19:Terwijl Hij met mij sprak, werd ik versterkt. Door Zijn woord stort God Zijn volk leven, kracht en geest in, want als Hij zegt: Wees sterk, dan gaat Zijn woord gepaard met kracht. En nu Daniël gesterkt is door de kracht van Gods woord en genade, is hij tot alles bereid: n Mijn Heere spreke, en ik kan het hooren, ik kan het dragen en ik ben bereid er naar te handelen, want Gij hebt mij versterkt". Dien, die, als Daniël hier, geen krachten hebben, vermenigvuldigt God de sterkte, es 40:29. En wij kunnen de gemeenschap met God niet onderhouden dan door de kracht, die wij aan Hem ontleenen, maar, als het Hem behaagt ons sterkte te geven, moeten wij er een goed gebruik van maken, en zeggen: Spreek Heere, want Uw knecht hoort. Als God ons in staat stelt, Zijn wil te doeg, dan zullen wij die ook doen, volkomen, wat die dan ook is. Da quod inbes, et inbe quod is- Geef wat Gij gebiedt en gebied dan wat Gij wilt.
4. Hij verzekerde hem, dat zijn vasten en gebeden tot gedachtenis opgekomen waren voor God, zooals de engel tot Cornelius zeide, Handelingen 10:4, Vrees niet, Daniël, vers 12. Het is den gevallen mensch van nature eigen, bevreesd te zijn voor een buitengewoon gezant van den hemel, omdat hij bang is slechte berichten van daar te krijgen, maar Daniël behoeft niet te vreezen, want door zijne smeekingen en vernedering drie weken lang, had hij buitengewone gezanten ten hemel gezonden, die hij terug verwachten kan met den olijftak des vredes: Van den eersten dag aan, dat gij uw hart begaaft om te verstaan, namelijk het woord van (jod, dat de regel voor uwe gebeden moet zijn, en om u zelf voor God te verootmoedigen, om uwe gebeden kracht bij te zetten, zijn uwe woorden gehoord, zooals tevoren in het begin uwer smekingen, Hoofdstuk 9:23. Zooals de opening van Gods woorden licht geeft aan de eenvoudigen zoo is ook de opening van hun gebeden welbehagelijk aan God, Psalm. 119:130. Van den eersten dag aan, dat wij tot God beginnen op te zien op den weg des plichts, is Hij bereid ons tegemoet te komen op den weg der genade. Zoozeer is God bereid het gebed te verhooren. Ik zeide Ik zal belijdenis doen, en Gij vergaaft.
5. Hij deelde hem mede, dat hij gezonden was om hem den toekomstigen staat der kerk te voorspellen, ten teeken van Gods aanneming van zijne gebeden voor de kerk: "Weet gij, waarom ik tot u gekomen ben?" Als gij wist met welke boodschap ik kom, zoudt gij niet zoo ontsteld zijn. Als wij de bedoeling van Gods handelingen met ons beter verstonden, en de wegen van Zijne leiding en genade met ons, dan zouden wij er beter mee verzoend zijn. "Om uwer woorden wil ben ik gekomen, vers 12, om u een genadig antwoord te brengen op uwe gebeden." Aldus, als Zijn biddend volk tot Hem roept, zegt God: Hier ben Ik, Jesaja 58:9, wat wilt gij, dat Ik u doen zal? Zie de macht van het gebed, welke heerlijke dingen heeft het, te rechter tijd, van den hemel gebracht, welke vreemde openbaringen! Met welke boodschap kwam deze engel tot Daniël? Hij zegt tot hem, vers 14:Ik ben gekomen om u te doen verstaan, hetgeen dat uw volk bejegenen zal in het vervolg der dagen. Daniël was een weetgierig, onderzoekend man, die al zijn leven naar geheimen gezocht had, en het moest wel eene groote voldoening voor hem zijn, dat hij ingeleid werd in de kennis der toekomende dingen. Daniël was altijd vol belangstelling geweest voor de kerk hare belangen lagen hem na aan `t hart en het moest wel eene bijzondere voldoening voor hem zijn te weten, hoe het met haar gaan zou, hij wist dan beter hoe hij voor haar bidden moest, zoolang hij leefde. Hij beweende op `t oogenblik de moeilijkheden, waarmee zijn volk op `t oogenblik te worstelen had, maar, opdat hij zich daaraan niet ergeren zou, moet de engel hem aanzeggen, welke nog grootere moeilijkheden hun te wachten staan, en, als zij nu al moede zijn, nu zij loopen met de voetgangers, hoe zullen zij zich mengen met de paarden? Het zou onze gevoeligheid voor den tegenwoordigen tegenspoed verminderen, als wij bedachten, dat wij misschien nog grooter te wachten hebben, die wij moeten overwinnen. Daniël moet op de hoogte gebracht worden van hetgeen zijn volk bejegenen zal in het vervolg der dagen van de kerk, na het ophouden der profetie, en als de tijd naderde, dat de Messias moest verschijnen, want het gezicht is nog voor vele dagen, het voornaamste, dat dit visioen aan de kerk bedoelde te geven, was het vooruitzicht van wat gebeuren zou in de dagen van Antiochus, bijna driehonderd jaar later. Wat dezen engel is opgedragen Daniël mee te deelen, en wat Daniël aangemoedigd wordt van hem te verwachten zijn geen interessante beschouwingen, of zedelijke voorschriften of verstandelijke overwegingen van hem zelf, hoewel hij een engel is, maar wat hij van den Heere ontvangen heeft. Het was de openbaring van Jezus Christus, die de engel aan Johannes gaf om te toonen aan de gemeenten, Openbaring 1:1. Zoo ook hier, vers 21:1, Ik zal u te kennen geven hetgeen dat geteekend is in het geschrift der waarheid, dat is, wat vast gesteld is in den bepaalden raad en voorkennis van God. Gods besluit is geschreven, het is een handschrift, dat blijft en niet veranderd worden kan. Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven. Zooals er geschriften zijn van den geopenbaarden wil van God, de octrooibrieven, die aan de wereld zijn geschonken, zoo zijn er ook geschriften van den geheimen wil van God, de gesloten rollen, die verzegeld zijn in Zijne schatten, het boek van Zijne besluiten. Beide zijn geschriften der waarheid, niets zal er aan toegevoegd of van afgenomen worden, van het een noch van het ander. De verborgene dingen zijn niet voor ons, slechts nu en dan zijn enkele paragrafen uit het boek van Gods besluiten afgeschreven, en overgeleverd aan de profeten ten diepste van de kerk, zooals hier aan Daniël, maar dat zijn de geopenbaarde dingen, alle de woorden dezer wet, die voor ons en voor onze kinderen zijn, en wij hebben er belang bij kennis te nemen van wat geschreven is in deze geschriften der waarheid, want dat zijn dingen, die tot onzen vrede dienen.
6. Hij gaf hem een algemeen overzicht van de tegenstanders van de zaak der kerk, van wie te verwachten is, dat zij te lijden zal hebben, en van haar beschermers, met wier hulp zij verzekerd mag zijn van eindelijke veiligheid en overwinning. A. De koningen der aarde zullen haar tegenstanders zijn en zijn het reeds, want zij stellen zich tegen den Heere, en tegen Zijn Gezalfde, Psalm 2:2. De engel zeide Daniël, dat hij met een genadig antwoord tot hem had moeten komen, op zijn gebed, maar dat de Vorst des koninkrijks van Perzië een en twintig dagen tegenover hem stond, juist die drie weken, die Daniël gevast en gebeden had. Cambyses, de koning van Perzië, had zich veel moeite getroost om de zaken der Joden te bemoeilijken en hun zooveel mogelijk kwaad te doen, en le engel was al dien tijd doende geweest om hem tegen te werken, zoodat hij gedwongen was zijn bezoek aan Daniël tot nu toe uit te stellen, want engelen kunnen maar op een plaats te gelijk zijn. Of, zooals Dr. Lightfoot zegt: Door den tempelbouw te verhinderen, had deze nieuwe koning van Perzië het goede nieuws verhinderd, dat hij anders gebracht zou hebben. De koningen en de koninkrijken der wereld waren weliswaar somtijds een steun voor de kerk, maar zij benadeelden haar nog vaker. "Als ik uitgegaan zal zijn van de koningen van Perzië, als hun rijk gevallen is om hun onvriendelijkheid jegens de loden, dan zal de Vorst van Griekenland komen," vers 20. Het Grieksche rijk, dat de Joden eerst begunstigde, evenals de Perzische, zal nog zeer lastig voor hen worden. Zoodanig is de staat van de strijdende kerk, als zij van den eenen vijand af is, heeft zij weer een anderen te bestrijden, de kop van de oude slang is als die van de hydra, als de eene storm over is, komt er spoedig weer een andere opzetten. b De God des hemels zal haar Beschermer zijn en is het reeds, en onder Hem zijn de engelen des tremels haar beschermers en bewakers. c. Hier is de engel Gabriel werkzaam in den dienst der kerk, waar hij zich sterk maakt in haar verdediging een en twintig dagen, tegen den Vorst van Perzië, en alwaar hij gelaten wordt bij de koningen van Perzië, als consul, of als gezant, om de belangen van de Joden aan dat hof te behartigen, en hun daar nuttig te zijn, vers 13. En, hoewel hun door de koningen veel kwaad gedaan werd onder Gods toelating, is het waarschijnlijk, dat hun nog veel meer kwaad gedaan zou zijn, en dat zij geheel en al ten gronde gericht zouden zijn, getuige Hamans plan, als God het niet verhinderd had door den dienst der engelen. Als Gabriël deze boodschap aan Daniël overgebracht heeft, besluit hij, dat hij zal terugkeeren om te strijden tegen den Vorst der Perzen, dat hij zal voortgaan met hem tegen te staan en dat trotsche rijk tenslotte vernederen en vernietigen zal, vers 20, hoewel hij weet, dat een even kwelziek rijk, namelijk het Grieksche, in de plaats er van komen zal. d Hier is Michaël onze Vorst, de groote Beschermer van de kerk en de Advocaat van haar rechtvaardige, maar verongelijkte zaak: Een van de eerste Vorsten, vers 13. Sommigen houden dit voor een geschapen engel, maar dan een aartsengel van den hoogsten rang, 1 Thessalonicenzen 4:16, Judas: 9. Anderen zijn van meening, dat Michael de aartsengel niemand anders is dan Christus zelf, de Engel des verbonds, en de Heere der engelen, Hij, dien Daniël in het visioen zag, vers 5. Hij kwam om mij te helpen, vers 13, en daar is niet een, die zich met mij versterkt tegen dezen, vers 21. Christus is de Vorst der kerk, de engelen niet, Hebreeën 2:5. Hij gaat over de belangen der kerk en zorgt voor haar welzijn. Gezegd wordt, dat Hij zich versterkt met de engelen, want Hij is het, die ze dienstbaar maakt aan degenen, die de zaligheid beërven zullen, en, als Hij niet aan de zijde der kerk stond, dan stond het slecht met haar zaak. Maar, zegt David, en dat zegt de kerk ook: De Heere is bij mij onder degenen, die mij helpen, Psalm 118:7. De Heere is onder degenen, die mijne ziel ondersteunen, Psalm 54:4.