Spreuken 28:22
Weer toont Salomo hier de zonde en de dwaasheid aan van hen, die rijk willen worden. Zij hebben vast besloten, dat zij dit zijn zullen "per fas, per nefas door goddelijk recht, of door wat tegen het goddelijk recht indruist dus onrecht", zij willen het zo spoedig mogelijk zijn, zij verkrijgen zeer snel een bezitting.
1. Zij hebben er geen genot van, smaken er geen lieflijkheid in, zij hebben een boos oog, zij zien altijd met benijdende blikken op hen, die meer hebben dan zij, zijn wrevelig om de nodige uitgaven, die zij te doen hebben want door de eersten wordt het hun, naar zij denken, belet rijk te worden, door de laatsten het te zijn, en tussen die twee kan het niet anders, of zij moeten in voortdurende onrust zijn.
2. Zij hebben geen zekerheid dat hun goed, hun bezitting, duurzaam zal wezen, en toch nemen zij geen maatregelen om tegen het verlies ervan te voorzien. Het gebrek zal hun overkomen, en de rijkdom, waarvoor zij vleugels hebben gemaakt om tot hen te vliegen, zal zich vleugels maken om van hen weg te vliegen. Maar ze zijn gerust en gebruiken geen voorzorgen, bedenken niet dat terwijl zij zich zo haasten om rijk te worden, zij in werkelijkheid zich heenspoeden naar gebrek, want anders zouden zij hun hoop niet stellen op de ongestadigheid van de rijkdom.