Spreuken 22:9
1. Hier is de beschrijving van een barmhartig man, hij heeft een goed oog, in tegenstelling met een boos oog, Hoofdst. 23:6, en hetzelfde als een eenvoudig oog, Mattheus 6:22, een oog, dat uitziet naar voorwerpen om er barmhartigheid aan te bewijzen, behalve nog die er zich vanzelf aan voordoen, een oog, dat op het zien van iemand, die gebrek heeft en in ellende is, het hart aandoet met medelijden een oog, dat bij de aalmoes een vriendelijke blik geeft, waardoor de aalmoes dubbel aangenaam wordt. Hij heeft ook een milde hand, hij geeft van zijn brood aan hen, die het nodig hebben, zijn brood, het brood, dat hem toebeschikt is om het te eten. Hij zal liever zichzelf bekrimpen, dan de armen van gebrek te zien omkomen, maar hij geeft toch niet al zijn brood, maar van zijn brood, de armen zullen hun deel hebben met zijn gezin.
2. De zegen voor zo'n man, de armen zullen hem zegenen, allen, die om hem heen zijn, zullen goed van hem spreken en God zelf zal hem zegenen in verhoring van menig goed gebed, dat voor hem opgezonden wordt, en hij zal gezegend zijn.