Spreuken 17:26
In geschillen tussen magistraten en onderdanen en zulke geschillen ontstaan dikwijls,
1. Moeten de magistraten wel toezien, dat zij nooit de rechtvaardigen doen boeten voor iets, waaraan zij geen schuld hebben, en in geen geval een verschrikking zijn voor goede werken want dat zou zijn hun macht te misbruiken en ontrouw te zijn aan het ambt, dat zij bekleden. Het is niet goed, het is zeer slecht en zal zeer slecht eindigen, welk ook het doel zij, dat zij er zich mee voorstellen. Als vorsten tirannen en vervolgers worden, zal hun troon noch veilig noch vast wezen.
2. Laat onderdanen toezien dat zij de regering niet laken omdat zij haar plicht doet, want het is onrecht om prinsen te slaan om hetgeen recht is, door hun bestuur te belasteren, of door heimelijk te pogen hun schade en nadeel toe te brengen, zoals de tien stammen, die gerebelleerd hebben, Salomo hebben gelaakt en zich ongunstig over hem hebben uitgelaten, omdat hij hun noodzakelijke belastingen heeft opgelegd. Sommigen lezen het: noch de oprechten te slaan om hetgeen billijk is. Magistraten moeten er voor waken, dat onder hen niemand lijdt voor wel doen, en zo moeten ook ouders hun kinderen niet door onrechtvaardige bestraffing tot toorn verwekken.