20. De hel en het verderf, de afgerond van dood en verderf worden niet verzadigd, niet vol, ofschoon zij alles verslinden, wat leeft; alzo worden a) de ogen des mensen, die als het ware de vensteren van zijn hart zijn, ook niet verzadigd (
Spreuken 15:11.
1 Johannes 2:16a) Prediker 1:8.
Dit is niet ene blote vergelijking, maar de begeerlijkheid der ogen met hare onverzadelijkheid, is zelf iets duivels, iets, dat uit de hel afkomstig is; want deze begeerlijkheid der ogen, d.i. de overgave des harten aan den bloot uitwendigen vorm der geschapen dingen en de zucht, om de werkelijkheden in bloot uitwendige vormen tot eigen genot op te lossen, en geheel te loochenen, dat iets goddelijks in dezelve woont, openbaart zich bij al wat leeft; ja dit streven richt zich eindelijk tegen God, en maakt van Zijne eeuwige kracht en Godheid, Zijn eeuwig Woord en Zijne heilsverordeningen blote abstracties, voorbijgaande holle vormen zonder waarde, begrippen, die aan verandering onderhevig zijn. De begeerlijkheid des vleses heeft een doel, daar de begeerlijkheid der ogen is niet te verzadigen. Slechts het eeuwig blijvende goed kan haar genezen, en het water des levens kan dezen brandenden dorst der hel lessen, zodat het hart nimmermeer dorst en ophoudt met vragen..
`s Mensen ogen zijn nooit verzadigd en de lusten van het vleselijk hart naar wereldse voordelen en vermaken zijn nooit te voldoen. Zij echter, wier ogen altoos gericht zijn naar den Heere en Zijne wetten, en die in Hem hun lust en vermaak kunnen vinden, hebben reden om vergenoegd te zijn en voldaan te zijn, gelijk de ware vromen ook dit genoegen op aarde kunnen smaken en het eens zullen genieten tot in eeuwigheid.