13. Als iemand voor enen vreemde, van wiens trouw hij niet verzekerd is, borg geworden is, neem van dien ook het laatste en noodzakelijkste, namelijk zijn kleed, en pand hem voor ene onbekende vrouw, voor wier betaling hij ten behoeve van uwen vriend borg gebleven is. Wanneer zulk een dwaze borg, die door zijnen borgtocht noch enen plicht vervuld, noch ene weldaad bewezen heeft, tot armoede vervalt, dan treft hem Gods rechtvaardige straf. (Bijna woordelijk overeenstemmend met
Spreuken 20:16). Vergelijk verder
Spreuken 6:1,
2;
11:15,
17,
18.
Een eerlijk man kan tot een bedelaar gemaakt worden: maar die zich zelven tot een bedelaar maakt, is geen eerlijk man.. 14. Die zijnen vriend zegent met luider stem, hem op vleienden toon prijst, of geluk wenst, of hem in het algemeen met niets beduidende vriendschapbetuigingen overlaadt, zich daartoe des morgens vroeg opmakende, die alzo noch tijd, noch gelegenheid in acht neemt, maar elk ogenblik aangrijpt en opzoekt, om zich door laffe vleierij bij zijnen vriend in te dringen, het zal hem, den huichelachtigen lofredenaar, tot enen vloek, tot ene verwensing, in plaats van tot een zegen en een oprecht bewijs van liefde gerekend worden; want niet alleen zullen de mensen de onoprechtheid en valsheid zijner betuigingen opmerken, maar God zal het hem ook tot zonde rekenen, dewijl hij de ziel zijns naasten schade doet lijden.
Wie zeer laakt, prijst; wie zeer prijst, laakt; want men gelooft hem niet, omdat hij het te erg maakt.
Het grootste gevaar van alles is, dat zulk hoog opgeheven roembazuining een sterke verzoeking tot hoogmoed en trotsheid is. Want de mensen zijn maar al te gereed, om betere en voordeliger gedachten van zich zelf te hebben, naarmate anderen maar wat groter van hen denken, en wat zeer hoog van hen spreken, of hen te zeer verheffen..