18. De goddeloze slaagt zelden in zijnen arbeid, hij doet een vals, een vergeefs werk, 1) waardoor hij geen blijvend gewin kan verkrijgen; maar voor degenen, die gerechtigheid zaait is de oogst zeker, en een duurzaam eeuwig goed is voor zijne trouwe zorg het loon2).
(Lukas 16:9, Job 4:8).
1) Dat is, dewijl de goddeloze alles uit zelfzucht doet, zo is er geen goddelijke zegen in wat hij verricht en wat hij geniet. Daarom doet hij vals werk dat is een werk, dat niet werkelijk beloont, dewijl het de gunste Gods mist. Het is een inbrengen in een doorboorden buidel.
2) Hij, die het tot zijne bezigheid stelt, goed te doen, zal ene zekere beloning ontvangen; zij is voor hem zo zeker als de eeuwige trouw het kan maken, en dat is een volmaakt loon..