2 Samuël 16:5-14
Hier zien wij, hoe David Simeï's vloeken veel beter verdroeg dan Ziba's vleien, door gene werd hij er toe gebracht om een verkeerd oordeel te vellen over een ander, door deze om een recht oordeel te spreken over zichzelf, de glimlachjes van de wereld zijn veel gevaarlijker dan haar norse blikken.
Merk hier op:
I. Hoe beledigend en woedend Simeï was, en hoe zijn boosaardigheid gelegenheid nam uit Davids tegenwoordige moeilijkheid om zijn beledigingen tot het uiterste te drijven. Op zijn vlucht was David te Bahurim gekomen een stad van Benjamin, in of nabij welke Simeï woonde, die uit de huize Sauls zijnde, met de val van dat huis al zijn hoop op bevordering had verloren, en daarom een onverzoenlijke vijandschap koesterde tegen David, hem ten onrechte beschouwende als de bewerker van het verderf over Saul en zijn geslacht alleen maar, omdat hij door Gods bestel zijn opvolger was. Toen David in voorspoed was en macht had, heeft Simeï hem even diep gehaat als hij hem nu haatte, maar hij durfde toen niets tegen hem zeggen. God weet wat in het hart is van hen, die Hem en Zijn regering ongenegen zijn, aardse vorsten weten dat niet, maar nu ging hij uit, en vloekte David met al de slechte woorden en wensen, die hij kon bedenken, vers 5. Hij nam deze gelegenheid waar om lucht te geven aan zijn wrok.
1. Omdat hij dacht het nu veilig te kunnen doen, en toch zou het hem het leven gekost hebben, indien David goed gevonden had de tergende belediging te straffen.
2. Omdat het nu voor David het grievendst was, smart aan zijn smart zou toedoen, als het gieten van edik in zijn wonden. David klaagt over hen,. die een praat maken van de smart van Gods verwonden, Psalm 69:27, als zijnde uiterst barbaars. Zo heeft Simeï gedaan, hem overladende met vloeken, die geen edelmoedig man zonder medelijden kon aanzien.
3. Omdat hij dacht dat Gods voorzienigheid zijn smaad rechtvaardigde, en dat Davids tegenwoordige beproevingen bewezen dat hij zo slecht was als Simeï hem gaarne wilde voorstellen. Op deze valse gronden werd Job door zijn vrienden veroordeeld. Zij die onder de bestraffing zijn van een genadig God, moeten het niet vreemd vinden, indien die bestraffing de smaad van de mensen over hen doet komen. "God heeft hem verlaten, jaagt na en grijpt hem want er is geen verlosser," Psalm 71:11. Maar het toont een laaghartige aard om aldus hen die gevallen zijn, te vertreden en over hen te juichen.
A. Zie wat deze ellendeling deed. Hij wierp David met stenen, vers 6, alsof zijn koning een hond was of de ergste misdadiger, die geheel Israël moet stenigen totdat hij sterft. Misschien hield hij zich op zo'n afstand, dat de stenen, die hij wierp, David niet konden bereiken hem noch iemand van hen, die hem vergezelden, maar hij toonde wat hij gedaan zou hebben indien het in zijn macht ware geweest. Hij stoof met stof, vers 13, dat hem waarschijnlijk wel zelf in de ogen woei, zoals zijn vloeken, zonder oorzaak zijnde, op zijn eigen hoofd zullen wederkeren. En zo heeft, gelijk zijn boosaardigheid hem hatelijk maakte, zijn onmacht hem bespottelijk en verachtelijk gemaakt. Hoewel zij, die tegen God strijden Hem haten kunnen zij Hem toch niet schaden. "Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem?" Job 35:6. Het was een verzwaring van zijn goddeloosheid, dat David zijn helden aan zijn rechter en zijn linkerzijde had, zodat hij zich niet in zo hopeloze toestand bevond als hij dacht (vervolgd, doch niet verlaten,) en dat hij het bleef doen, het met temeer heftigheid en woede deed, naarmate David het geduldiger verdroeg.
B. Wat hij zei. Met de stenen schoot hij ook zijn pijlen, namelijk bittere woorden vers 7, 8, in minachting van de wet: "de goden zult gij niet vloeken," Exodus 22:28. David was een man van eer en geweten, en zeer vermaard voor alles wat rechtvaardig en goed is, wat kon deze vuile mond dan tegen hem zeggen? Wel, wat voorlang aan het huis van Saul is geschied is het enige, dat hij zich kan herinneren, en dat hij hem verwijt, omdat dit de zaak was, waar hij nadeel door leed. Zie hoe geneigd wij zijn om de mensen en hun karakter te beoordelen naar hetgeen zij voor ons zijn, en tot de gevolgtrekking te komen dat diegenen slechte mensen moeten zijn, die-al was het ook nog zo rechtvaardig-het middel geweest zijn van schade of kwaad voor ons, of die wij daar-al is het ook nog zo ten onrechte-voor houden. Zo partijdig zijn wij voor onszelf, dat geen regel bedriegelijker kan wezen dan deze. Niemand kon onschuldiger zijn aan het bloed van het huis van Saul dan David. Eenmaal en nogmaals heeft hij Sauls leven gespaard, toen Saul hem zocht. Toen Saul en zijn zonen gedood werden door de Filistijnen, was David met zijn mannen op zeer veel mijlen afstands, en toen zij het hoorden, hebben zij er om getreurd en geweend. Van de moord op Abner en Isboseth had hij zich voldoende gezuiverd, en toch moet nu al het bloed van Sauls huis hem geweten worden. Onschuld is geen beschutting tegen wrok en leugen, en wij moeten het ook niet vreemd vinden, als wij beschuldigd worden van hetgeen, waarvoor wij ons het meest gewacht hebben. Wel onzer, dat wij niet door mensen geoordeeld moeten worden, maar door Hem, die naar waarheid oordeelt.
Het bloed van Sauls huis wordt hem hier op de onrechtvaardigste wijze toegerekend:
a. Als hetgeen hem de aard gaf van een man des bloeds en een Belialsman, vers 7. Indien hij een man des bloeds is, dan is hij ongetwijfeld een Belialsman, dat is: een kind des duivels (die Belial genoemd wordt, 2 Corinthiers 6:15 o) die een moordenaar was van den beginne. Mannen des bloeds zijn de slechtsten van de mensen.
b. Als hetgeen zijn tegenwoordig ongeluk over hem gebracht heeft. "Nu gij onttroond zijt en uitgedreven zijt naar de woestijn, heeft de Here op u doen wederkomen al het bloed van Sauls huis". Zie hoe haastig boosaardige mensen zijn om Gods oordelen te pressen in hun dienst, de dienst van hun hartstochten en wraakzucht. Indien aan iemand, die naar zij denken hen verongelijkt heeft, moeite of leed overkomt, dan moet het vermeende onrecht dat hun aangedaan is, de oorzaak zijn van dat leed. Maar wij moeten voorzichtig zijn, opdat wij God geen onrecht doen door Zijn voorzienigheid voor te stellen als onze dwazen en onrechtvaardigen toorn in bescherming nemende. Gelijk de toorn des mensen Gods gerechtigheid niet werkt, zo dient de gerechtigheid Gods de toorn des mensen niet.
c. Als hetgeen nu zijn volkomen verderf zal wezen, want hij poogt hem er aan te doen wanhopen om ooit weer op de troon te komen, (nu zeiden zij: "hij heeft geen heil bij God," Psalm 3:3.) De Here heeft het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom uw zoon (niet in de hand van Mefiboseth, het huis van Saul heeft er nooit aan gedacht om hem koning te maken, zoals Ziba geopperd heeft) en gij zijt in uw ongeluk, dat is: uw verderf, omdat gij een man des bloeds zijt". Aldus heeft Simeï gevloekt. II. Zie hoe geduldig en onderworpen David was onder die belediging. De zonen van Zeruja, inzonderheid Abisai, waren ijverig om Davids eer op te houden met hun zwaard, zij waren ten hoogste verontwaardigd over die belediging, en terecht. Waarom zou aan deze dode hond toegelaten worden mijn heer de koning te vloeken? vers 9. Indien David er hun slechts verlof voor wil geven, zullen zij spoedig deze liegende, vloekende lippen tot zwijgen brengen, hem het hoofd afhouwen, want zijn werpen van stenen naar de koning was een openlijke daad, die ten duidelijkste bewees, dat hij het op zijn leven toelegde. Maar de koning wilde het volstrekt niet toestaan. Wat heb ik met u te doen? Laat hem vloeken. Aldus heeft Christus Zijn discipelen bestraft, die in ijver voor Zijn eer vuur van de hemel wilden doen komen over de stad, die Hem had beledigd, Lukas 9:55. Laat ons zien uit welke overwegingen David zich kalm kon houden.
1. Het voornaamste, dat hem tot zwijgen bewoog, was dat hij het verdiend heeft. Dit wordt hier wel niet gezegd, want men kan in waarheid een boetvaardige zijn zonder dat het nodig is om bij alle gelegenheden zijn boetvaardige gedachten uit te spreken. Simeï verweet hem onrechtvaardig het bloed van Saul, daarvan heeft zijn geweten hem vrijgesproken, maar tegelijkertijd verweet het hem het bloed van Uria. "De beschuldiging is maar al te waar" (denkt David) hoewel zij niet waar is, zoals hij haar bedoelt. Een nederig, teder gemoed zal verwijtingen in bestraffingen verkeren, en er aldus goed aan ontlenen, inplaats van er door verbitterd te worden.
2. Hij ziet er de hand Gods in. De Here heeft tot hem gezegd: Vloek David, vers 10, en wederom: Laat hem geworden dat hij vloeke want de Here heeft het hem gezegd, vers 11. Als Simeï's zonde was het niet van God, maar van de duivel en van zijn eigen boos hart, ook heeft Gods hand er in haar niet verontschuldigd of verminderd, en nog veel minder gerechtvaardigd, evenmin als het de zonde rechtvaardigde van hen, die Christus ter dood hebben gebracht, Handelingen 2:23, 4:28. Maar als Davids beproeving was het wel van de Here, een van de kwaden, die tegen hem verwekt werden. David zag over het werktuig van zijn beproeving heen naar de Opperbestuurder, zoals Job, toen de plunderaars hem hadden beroofd, erkent: De Here heeft genomen. Niets is meer geschikt om een Godvruchtige ziel tot rust te brengen onder beproeving, dan er de hand Gods in te zien, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan. De gesel van de tong is Gods roede.
3. Hij houdt zich rustig onder de mindere beproeving bij de gedachte van de grotere, vers 12. Mijn zoon zoekt mijn ziel, dat is: mijn leven, hoeveel temeer dan nu deze Benjaminiet, vers 11. Beproeving werkt lijdzaamheid in hen, die geheiligd zijn. Hoe meer wij dragen, hoe beter wij instaat zijn om nog meer te dragen, wat ons geduld beproeft moet het versterken. Hoe meer wij gehard zijn voor beproeving, hoe minder wij er verbaasd over zullen zijn of haar vreemd zullen vinden. Verwonder u niet, als vijanden beledigend en zelfs vrienden onvriendelijk zijn, noch dat vrienden onvriendelijk zijn, als zelfs kinderen oneerbiedig en ongehoorzaam zijn.
4. Hij vertroost zich met de hoop, dat God op de een of andere wijze uit zijn beproeving goed voor hem zal doen voortkomen, en hem zal belonen voor zijn geduld er onder. "De Here zal mij goed vergelden voor zijn vloek. Als God aan Simeï zegt mij te grieven, dan is het opdat Hijzelf mij zoveel merkbaarder zal vertroosten. Hij heeft voorzeker genade voor mij weggelegd, en daarvoor bereidt Hij mij door deze beproeving". Wij kunnen rekenen op God als onze betaalmeester, niet slechts voor onze diensten, maar ook voor ons lijden. Laat hen vloeken, maar zegen Gij. David kwam eindelijk te Bahurim, waar hij zich kon verkwikken, en waar hij verborgen is voor deze twist van de tongen.