Job 11:7-12
Zofar spreekt hier zeer goede dingen van God en Zijn grootheid en heerlijkheid, van de mens en zijn ijdelheid en dwaasheid. Deze twee tezamen vergeleken en goed overwogen, zullen een krachtige invloed hebben op ons, om ons te onderwerpen aan alle de beschikkingen van de Goddelijke voorzienigheid.
I. Zie hier wat God is, en laat Hem worden aangebeden.
1. Hij is een onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk Wezen, oneindig en ontzaglijk groot, van wiens aard en volmaaktheden ons eindig verstand bij geen mogelijkheid een juist begrip kan vormen, en over wiens raad en handelingen wij dus, zonder ons schuldig te maken aan de grootste aanmatiging, geen oordeel kunnen vellen. Wij, die zo weinig bekend zijn met de Goddelijke natuur zijn onbevoegde beoordelaars van de Goddelijke voorzienigheid, en als wij er de beschikkingen van laken, dan spreken wij van dingen, waar wij geen verstand van hebben. Wij kunnen God niet ontdekken, hoe durven wij dan iets berispelijks in Hem vinden? Zofar toont hier aan:
A. Dat Gods natuur ons verstandsvermogen ver overtreft: Zult gij de onderzoekingen Gods vinden? Hem vinden tot de volmaaktheid toe? Neen, Wat kunt gij doen? Wat kunt gij weten? vers 7, 8. Gij, een arm, zwak, kortzichtig schepsel, een aardworm, die slechts van gisteren zijt? Gij, die zo grotelijks begeert Hem te vinden, durft gij het onderzoek naar Hem wagen, of kunt gij hopen er in te zullen slagen?" Wij kunnen door te onderzoeken God vinden, Handelingen 17:27, maar wij kunnen Hem niet vinden, Hem niet ontdekken in iets, waarin het Hem behaagt zich verborgen te houden. Wij kunnen Hem bespeuren, gewaar worden, maar wij kunnen Hem niet begrijpen, wij kunnen weten dat Hij is, maar kunnen niet weten wat Hij is. Het oog kan de oceaan zien, maar hem niet overzien. Wij kunnen door een nederig, naarstig en gelovig onderzoek iets van God ontdekken, maar Hem niet vinden tot de volmaaktheid toe, wij kunnen weten, maar niet ten volle weten wat God is, noch Zijn werk uitvinden van het begin tot het einde toe, Prediker 3:11. God is ondoorgrondelijk. De eeuwen van Zijn eeuwigheid kunnen niet geteld worden noch kan de ruimte van Zijn onbegrensdheid gemeten worden, de diepte van Zijn wijsheid kan niet worden gepeild, en Zijn macht niet worden beperkt, de glans van Zijn heerlijkheid kan niet worden beschreven, noch de schatten van Zijn goedheid worden opgesomd. Dit is een goede reden, waarom wij van God altijd met ootmoed en voorzichtigheid moeten spreken, nooit Hem iets moeten voorschrijven, noch met Hem moeten twisten, dankbaar moeten zijn voor hetgeen Hij van zichzelf heeft geopenbaard, en verlangen moeten om te zijn daar, waar wij Hem zullen zien gelijk Hij is. 1 Corinthiers 13:9,10.
B. Dat zij de grenzen van geheel de schepping oneindig ver overtreft. Zij is hoger dan de hemel, ( zo lezen het sommigen) dieper de de hel, de grote afgrond, langer dan de aarde, breder dan de zee, waarvan tot op de huidige dag nog vele delen onontdekt zijn, en in die tijd nog veel meer. Het is volstrekt bulten ons bereik Gods natuur te begrijpen, "die kennis is ons te wonderbaar, zij is hoog, wij kunnen er niet bij," Psalm 139:6. Wij kunnen Gods plannen niet doorgronden, de redenen van Zijn handelingen niet ontdekken, Zijn oordelen zijn een grote afgrond. Paulus schrijft dezelfde onmetelijkheid toe aan Gods liefde, die Zofar hier toeschrijft aan Zijn wijsheid, en beveelt haar toch aan aan onze kennis ons begrijpen, Efeziers 3:18, "opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij, en bekennen de liefde van Christus." 2. God is een vrijmachtig Heer vers 10. Indien Hij afsnijdt door de dood, of (naar de kanttekening op de Engelse overzetting) indien Hij een verandering maakt-want de dood is een verandering- indien Hij een verandering maakt in volken, in geslachten in de stand van onze zaken, indien Hij opsluit in de gevangenis, of in het net van de beproeving, Psalm 66:11, indien Hij enig schepsel grijpt, zoals een jager zijn prooi (aldus bisschop Patrick), dan zal Hij het vergaderen, en wie zal Hem noodzaken weer te geven? Of, indien Hij saamvergadert, zoals onkruid voor het vuur of, indien Hij des mensen geest en zijn adem tot zich vergadert, Hoofdst. 34:14, wie kan Hem dan hinderen, wie zal dan Hem afkeren? Wie kan zich tegen het vonnis verzetten, of er de tenuitvoerbrenging van verhinderen? Wie kan Zijn macht in bedwang houden Zijn wijsheid en rechtvaardigheid aanklagen? Indien Hij, die alles uit niets gemaakt heeft, goedvindt alles wederom tot niets te laten worden, of wederom tot de eerste chaos terug te laten komen, indien Hij, die in den beginne scheiding maakte tussen licht en duisternis, tussen het droge en de zee, ze wederom bijeen wil brengen, indien Hij die gemaakt heeft, wat Hij gemaakt heeft vernietigt, wie kan Hem dan afkeren, Zijn wil veranderen, Zijn hand weerhouden, Zijn handelingen verhinderen of aanklagen?
3. God is een nauwkeurig en rechtvaardig waarnemer van de kinderen van de mensen, vers 11. Hij kent de ijdele lieden. Wij weten weinig van Hem, maar Hij weet alles van ons, Hij kent ons volkomen. Hij ziet ook het kwade, niet om het goed te keuren, Habakuk 1:13, maar om het te bestraffen, af te keuren.
a. Hij ziet ijdele lieden, (alle mensen zijn dit, een ieder mens, hoe vast hij staat, is enkel ijdelheid) en in Zijn handelingen met hen, neemt Hij dit in aanmerking. Hij kent de plannen en verwachtingen van de ijdele lieden en kan ze doen mislukken, ze vernietigen, Hij kent de werkingen hunner ijdele verbeelding. Hij zit in de hemel en belacht ze. Hij neemt kennis van de ijdelheid van de mensen, dat is-volgens sommigen- van hun kleine zonden, van hun ijdele gedachten en hun ijdele woorden, van hun onstandvastigheid in het goede.
b. Hij ziet slechte lieden, Hij ziet ook grove boosheid, al is zij ook nog zo in het geheim gepleegd, en nog zo kunstig bemanteld. Al de goddeloosheid van de goddelozen ligt naakt en geopend voor het alziend oog van God, zou Hij haar dan niet aanmerken? vers 11. Voorzeker wèl, en Hij zal er rekenschap van eisen, hoewel Hij voor een wille schijnt te zwijgen.
II. Zie hier wat de mens is, en laat hem zich verootmoedigen, vers 12. God ziet betreffende de ijdele mens, dat hij wijs wil wezen, voor wijs gehouden wil worden, hoewel hij als het veulen eens woudezels geboren is, zo onnozel en dwaas, zo onleerzaam en ontembaar. Zie wat de mens is:
1. Hij is een ijdel schepsel, hij is hol, ledig, naar de eigenlijke betekenis van het oorspronkelijke woord. God maakte hem vol, maar hij ontledigde zich, verarmde zich, en nu is hij een schepsel, waar niets in is.
2. Hij is een dwaas schepsel, "geworden als de beesten, die vergaan" Psalm 49:21, 73:22 een idioot, geboren ais een ezel, het domste dier, een ezelsveulen, nog niet tot enige dienst geschikt. Als hij er ooit toe komt ergens nut toe te wezen, dan is dit te danken aan de genade van Christus, die zich eenmaal, op de dag van Zijn triomf, van een ezelsveulen heeft bediend. 3. Hij is een eigenzinnig, onhandelbaar schepsel. Een ezelsveulen kan ergens geschikt voor worden gemaakt, maar het veulen eens woudezels is niet te temmen, de woudezel hoort het getier des drijvers niet. Zie Job 39:10 :De mens denkt dat hij even vrij, evenzeer zijn eigen meester is, als het veulen eens woudezels gewend is in de woestijn, Jeremia 2:24, en er naar haakt om aan zijn lusten en hartstochten te voldoen.
4. En toch is hij een trots verwaand schepsel. Hij wil wijs zijn, voor wijs gehouden worden, laat zich voorstaan op de eer van de wijsheid, hoewel hij zich aan de wetten van de wijsheid niet wil onderwerpen. Hij wil wijs zijn, dat is: hij haakt naar verboden kennis, en evenals zijn eerste ouders, wijs willende zijn boven hetgeen geschreven is, verliest hij de boom des levens, wijl hij de boom van de kennis heeft begeerd. Is nu een schepsel als dit geschikt om met God te strijden, of om rekenschap van Hem te eisen? Als wij God en onszelf slechts beter kenden, wij zouden beter weten, hoe ons tegenover God te gedragen.