Spreuken 16:13
Hier is nog een andere hoedanigheid van goede koningen, namelijk dat zij hen, die rechte dingen spreken, liefhebben en een welbehagen in hen hebben.
1. Zij haten tafelschuimers en vleiers, en willen zeer gaarne dat allen, die hen omringen getrouw met hen zullen handelen, hun zullen zeggen wat waar is, hetzij die waarheid aangenaam of onaangenaam is, zowel nopens personen als omtrent zaken, opdat alles in het ware licht worde gesteld en niets worde verholen of vermomd, Hoofdst. 29:12.
2. Zij doen niet slechts zelf recht, maar dragen zorg om diegenen in hun dienst te gebruiken, die ook recht doen, hetgeen van het uiterste gewicht is voor het volk, dat niet alleen onderdanig moet zijn aan de koning als de opperste macht hebbende, maar ook aan de stadhouders, die van hem gezonden worden, 1 Petrus 2:13, 14. Een goed koning zal daarom diegenen op een post van macht en invloed stellen, die nauwgezet van geweten zijn, zullen spreken wat recht en verstandig is, recht en ter zake weten te spreken.