12. De woorden van enen wijzen mond zijn aangenaam, een wijze moet dus niet zwijgen, zo als die nalatige slangenbezweerder deed; maar dikwijls en te rechter tijd spreken, omdat hij daardoor veel goeds kan stichten, en zich zelven de liefde en toegenegenheid der harten kan verwerven; maar de lippen van enen zot verslinden hem zelven, 1) zij doen anderen geen nut, verwekken veeleer afkeer en richten hem veeltijds ten gronde (
Spreuken 15:2;
10:8,
21;
13:16). 1) Wijsheid is het, zoals de vorige Spreuken getoond hebben, voorzorgsmaatregelen te nemen, zich te voren van de rechte middelen te verzekeren en den rechten tijd waar te nemen. Deze drieërlei karaktertrek van den wijze heeft
Vers 11 door een voorbeeld, genomen uit de kring van iemand, wien de tong tot werktuig dient, duidelijk gemaakt. Een Spreukenuk komt alzo niet ongemerkt, die betrekking heeft op dat, wat de rede zowel van den wijze als van den dwaas uitwerkt..
De lippen des dwazen maken hem niet alleen verachtelijk en belachenswaardig, maar brengen hem ook dikwijls in gevaar en storten hem wel eens in het verderf, hetzij door zijne oproerigheid of door zijne goddeloosheid. Zo sprak Adonia dwaselijk tegen zijn eigen leven en dus zijn voor velen hun tongen ten verderf geweest..